De blik op het Oosten

EEN WEEK na de top in Maastricht, waar de Europese Gemeenschap met zichzelf bezig was, heeft de EG haar aandacht gericht op de zorgwekkende actualiteit achter de oostgrens. In een opmerkelijk vertoon van dadendrang sloot de EG deze week associatieverdragen met Polen, Tsjechoslowakijke en Hongarije, zegde de EG extra geld toe voor voedselhulp aan Moskou en St. Petersburg, en speelden de EG-landen een leidende rol bij het energie-handvest met de Unie-republieken in de Haagse Ridderzaal.

Het heeft even geduurd sinds het begin van de Oosteuropese omwentelingen, al weer ruim twee jaar geleden, maar nu lijkt de EG eindelijk haar rol ten aanzien van Oost-Europa te accepteren die geografie en historie haar opdringen. Terwijl de Verenigde Staten op de voorgrond treden om de dreiging van de nucleaire wapens in de Unie-republieken te bezweren maar, vleuggellam door eigen begrotingstekorten, nauwelijks een financiële inspanning leveren, ontwikkelt de Gemeenschap zich tot de belangrijkste bron van economische hulp en politieke bemoeienis. Driekwart van de hulp aan Oost-Europa is afkomstig van Europa. Duitsland, dat het grootste deel hiervan voor zijn rekening neemt, wenst terecht grotere betrokkenheid van de overige EG-landen.

HET AANBOD van de EG om te helpen bij de hervormingen en om, waar nodig, humanitaire hulp te verstrekken, is niet zonder eigenbelang. Politieke en economische chaos in de Oosteuropese buurlanden vormen een bedreiging voor de stabiliteit aan deze kant van de rafelgrens tussen Stettin en Triëst. Als West-Europa een toeloop van werkzoekende immigranten wil voorkomen, zal het de Oosteuropeanen in de gelegenheid moeten stellen om in hun eigen landen produkten te maken die ze hier met succes kunnen afzetten. Dat vergt investeringen en open grenzen.

De associatieverdragen die de EG met Polen, Hongarije en Tsjechoslowakijke heeft afgesloten, bieden daar uitzicht op. Ook al heeft de EG zich in de onderhandelingen niet van haar ruimhartigste kant getoond. De nationale belangen van de landbouw, staal- en textielindustrie in een aantal lidstaten hebben de invoering van de associatieverdragen vertraagd en de toegang tot de Europese markt beperkt. In dat verband was de recente Franse blokkade tegen vijfhonderd ton Pools rundvlees (de inhoud van veertig koelwagens) kenmerkend voor Europese benepenheid - waar daadkracht was vereist.

HET ENERGIE-HANDVEST dat dinsdag in Den Haag is ondertekend door bijna vijftig landen, inclusief de voormalige Sovjet-republieken, getuigt van een praktische visie. Als met hulp van het particuliere bedrijfsleven de energie-sector in de Unie-republieken wordt gemoderniseerd, hebben alle partijen daar baat bij. De erfenis van Lenins uitspraak dat het communisme een combinatie is van socialisatie en elektrificatie, bestaat uit energieverspilling, milieuvervuiling in de olievelden, onveilige kerncentrales en een nijpend tekort aan energie in huizen en fabrieken. Nu de voormalige Sovjet-Unie bankroet is, is hervatting van de olie- en aardgasexporten de snelste manier om weer deviezen te verdienen. Ook bij de uitwerking van het Energie-handvest zijn Westerse investeringen nodig en zal West-Europa zijn markten moeten openstellen, zodat Russische energiebronnen zullen concurreren met het aardgas uit Slochteren.

De Europese Gemeenschap heeft een eerste stap gezet richting verbreding naar Oost-Europa. Maar de associatieverdragen met de drie landen zijn niet voldoende om in Oost-Europa een ander economisch tij te bestendigen en de democratie te verankeren. Het is onvermijdelijk dat verdergaande integratie van die landen in de Gemeenschap in het vooruitzicht wordt gesteld. In de Europese ruimte die zich begint af te tekenen, is er overigens nog meer aan de hand. Daar bevinden zich ook de republieken van het nieuwe Gemenebest. De Gemeenschap zal de samenwerking met hen moeten intensiveren. Het Energie-handvest wijst in de juiste richting.