Conclusie milieurecht-deskundige na affaires Kemp en Zegwaard: Strafrecht is milieu-onvriendelijk

AMSTERDAM, 19 DEC. “Ons strafrecht is bijzonder milieu-onvriendelijk.” Deze conclusie trekt dr. M.V.C. Aalders, verbonden aan het Centrum voor Milieurecht van de Amsterdamse Universiteit, uit twee grote milieuzaken van de laatste tijd: die tegen afvaltransporteur S. Kemp uit Hazerswoude en tegen W. Zegwaard, directeur van het voormalige afvalbedrijf Zegwaard in Delft. Beiden kregen een aanmerkelijk lagere gevangenisstraf dan het openbaar ministerie had geëist. Kemp werd in hoger beroep tot drie jaar, waarvan één voorwaardelijk, veroordeeld, terwijl Zegwaard in eerste aanleg twee jaar cel, waarvan zes maanden voorwaardelijk, opgelegd kreeg. In beide gevallen luidde de eis zes jaar onvoorwaardelijk.

In de zaak-Kemp is de procureur-generaal, mevrouw mr. J.C.M. Couzijn, inmiddels bij de Hoge Raad in cassatie gegaan tegen de uitspraak van het Haagse gerechtshof. Kemp werd ervan beschuldigd grote hoeveelheden chemisch afval illegaal te hebben gestort in de Coupépolder te Alphen aan den Rijn. Om Kemp voor deze praktijken veroordeeld te krijgen, maakte Couzijn in de telastelegging gebruik van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt gesproken over de aflevering van “waren die voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn”. Door het schadelijke karakter van de afvalstoffen tegenover stortbazen te verzwijgen, kon Kemp winst boeken, aldus de procureur-generaal op de zitting.

Het hof stelde echter vast dat de bewuste afvalstoffen geen "waren' in de zin van artikel 174 opleverden, omdat ze geen gebruiksbestemming en economische waarde meer hadden. Daarom werd Kemp op dit punt vrijgesproken. Couzijn wil hierover nu een uitspraak van de Hoge Raad en daarom heeft ze cassatie aangetekend.

“Een moedige stap”, meent dr. Aalders van het Centrum voor Milieurecht. Hij vertelt dat artikel 174 uit de vorige eeuw stamt en in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen om te kunnen optreden tegen kooplieden die met allerlei onbestemde waren waar gevaren aan vastzaten, de markt op gingen. “Het artikel is dus nooit bedoeld geweest voor milieudelicten, zoals in het geval-Kemp, maar kan daarvoor zeker worden gebruikt”, aldus Aalders.

Dat gebeurde tien jaar geleden al voor de rechtbank te Breda in het zogeheten Uniser-proces, de strafrechtelijke ontrafeling van een omvangrijk milieuschandaal, dat zich kort daarvoor aan de Moerdijk had afgespeeld. De rechtszaak leverde een belangrijk precedent op. “De officier”, aldus Aalders, “voerde bij die gelegenheid artikel 174 op en had daarmee succes, want de rechtbank accepteerde zijn verhaal. De rechtbank erkende in beginsel dat ook afval tot die schadelijke stoffen behoort waartegen de bevolking moet worden beschermd.”

Dat nam volgens Aalders niet weg dat de geruchtmakende Uniser-affaire tekortkomingen in het strafrecht aantoonde: “Toen bleek dat met de delictomschrijvingen in de heersende milieuwetten slechts lage boetes en lage vrijheidsstraffen op te leggen waren. Bovendien kon men geen dwangmiddelen, waaronder het aftappen van de telefoon, toepassen en was de verjaringstermijn te kort.”

Om die reden is het Wetboek van Strafrecht later, in 1989, uitgebreid met twee artikelen: 173a en b. Ze maken gewag van “opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengen”. Wie zich daaraan schuldig maakt, kan met maximaal vijftien jaar worden bestraft, maar dan moet wel sprake zijn van “gevaar voor de openbare gezondheid”.

In dat voorbehoud schuilt volgens Aalders een omvangrijke handicap in de strijd tegen clandestiene stortingen van chemisch afval. “Gevaar voor de openbare gezondheid”, zegt hij, “is immers bijzonder moeilijk aan te tonen. Dat vereist enorm veel bewijsmateriaal en daarom zal een officier van justitie die twee artikelen niet gauw in zijn telastelegging opvoeren. Het is tot op heden ook nooit gebeurd.”

Als tweede bezwaar tegen artikel 173a en b voert Aalders aan dat ze slechts betrekking hebben op de gezondheid van de mens en niet op het milieu in ruimere zin, de toestand van water, bodem en lucht. Dat brengt hem tot de uitspraak dat het strafrecht “bijzonder milieu-onvriendelijk” is.

Tegelijk heeft hij kritiek op het gerechtshof in Den Haag waar dit college in de zaak-Kemp dat andere artikel, 174 Wetboek van Strafrecht, van tafel veegde. Aalders: “De bewering dat afvalstoffen niet tot de gebruikelijke waren behoren, klopt niet met het Europese recht, want daarin vallen ze onder de goederen die vrij verhandeld en vervoerd mogen worden. Daar komt bij dat bijvoorbeeld chemisch afval in principe zodanig te scheiden is dat er elementen overblijven die wel degelijk een economische waarde hebben. Ik vind dus dat de dames en heren van het Haagse hof onvoldoende zicht hebben op de werkelijkheid. Ze gaan er nog van uit dat afval altijd waardeloos is.

In de zaak-Zegwaard is het de behandelend officier van justitie, mr. N. Zandbergen, niet gelukt om zogeheten mengpraktijken van afvalbonzen bestraft te krijgen. Daarbij gaat het om een systeem om chemisch afval zodanig door bijvoorbeeld huisvuil of bouwafval te mengen dat het gehalte aan chemicaliën onder de wettelijke norm blijft. Hier werd door het openbaar ministerie artikel 31 van de Wet Chemische Afvalstoffen opgevoerd: “Het is verboden zich van chemische afvalstoffen of afgewerkte olie te ontdoen door deze, al dan niet verpakt, op of in de bodem te brengen.”

Zandbergen liet ter zitting al duidelijk blijken dat de bewijslast in zo'n geval zeer moeilijk te vergaren is: “Wanneer je de gemengde massa een beetje willekeurig over verschillende stortplaatsen, vooral in het buitenland, verspreidt, kan geen officier van justitie meer bewijzen wanneer en waar een concrete vracht chemisch afval is gedumpt.” Om dat laatste obstakel te omzeilen, had hij in de dagvaarding gekozen voor de veronderstelde mengplaats: de vloer van de bedrijfshal in Delft. Maar de rechtbank volgde hem niet en sprak Zegwaard op dit punt vrij.

Aalders noemt dit een “uiterst onbevredigende” afloop: “Een officier die zulke mengpraktijken met al hun schadelijke gevolgen voor het milieu wil aanpakken, moet wel gefrustreerd raken. Ze blijken immers niet strafbaar te zijn.”