Bak een moddertaart

Drop Dead Fred. Regie: Ate de Jong. Met: Rik Mayall, Phoebe Cates, Carrie Fisher. In 16 theaters.

Het Amerikaanse persmateriaal mag de regisseur van Drop Dead Fred dan "Flemish-born' noemen, wij weten vol trots dat de wieg van Ate de Jong in Zeeuws-Vlaanderen stond. Na Paul Verhoeven is het op bescheidener schaal een tweede Nederlandse regisseur gelukt te voldoen aan de enige maatstaf die in Hollywood telt: het maken van een film die geld oplevert aan de kassa. Voor een relatieve low budget-film is het succes van Drop Dead Fred zelfs indrukwekkend, met als grootste wapenfeit naast redelijke Amerikaanse resultaten een solide hitstatus in Australië.

Maar stel nu eens dat Ate de Jong een Noorse regisseur was, wiens vijf films in eigen land ons totaal onbekend waren, hoe zouden we dan tegen Drop Dead Fred aankijken? Het uitgangspunt van de film is heel aardig: nadat een jonge rechtbankgriffier (Phoebe Cates) op een dag haar auto, haar man en haar baan is kwijtgeraakt, trekt ze weer bij haar bazige moeder (Marsha Mason) in. Bijna automatisch valt de dochter ook terug in een vroeger ontwikkelingsstadium en neemt toevlucht tot de fantasiefiguur uit haar jeugd. Deze ondeugende harlekijn, naar wie de film vernoemd is en die gespeeld wordt door de Engelse komiek Rik Mayall (uit de tv-serie The Young Ones), is alleen voor de hoofdpersoon zichtbaar. Hij zet haar aan tot het bakken van moddertaarten, het met voedsel gooien in een restaurant en het vernielen van mama's nieuwe tapijt. Zodra hij haar heeft geholpen zich los te maken van moeder ("het mega-beest'), laat hij haar definitief in de steek en kan zij een nieuw leven beginnen.

Helaas is het scenario niet zo scherp en ingenieus als het verhaal. En de regie is zo mogelijk nog minder geïnspireerd dan het scenario. Voor zover het in Hollywood binnen het vermogen van een regisseur ligt om een project een originele of persoonlijke draai te geven, zijn er wel enkele overeenkomsten met De Jongs Nederlandse films te ontdekken. De dialogen met de fantasiefiguur roepen de dialogen tussen Jeroen Krabbé en zijn alter ego uit Een vlucht regenwulpen in herinnering. Maar ook de kleuterachtige grapjes van orale, anale en genitale aard, om van de neuspeuterij van Fred maar te zwijgen, horen bij een bepaald stadium van de Nederlandse speelfilm, dat in de jaren zeventig zijn hoogtepunt beleefde.

Nadat marketing research had uitgewezen dat het publiek van Drop Dead Fred vooral gezocht zou moeten worden onder de jonge volwassenen, bleek al vanaf de eerste dag dat kinderen vanaf een jaar of acht en hun ouders de harde kern van de liefhebbers vormen. Die verrassende ontwikkeling zegt niets over de kwaliteiten van de produktie; het lage budget wordt vooral pijnlijk duidelijk in de knullige trucages, maar kinderen met enige fantasie zullen daar geen problemen mee hebben. Als kinderfilm is Drop Dead Fred dan ook aanzienlijk beter geslaagd dan als de freudiaanse komedie die het in aanleg geweest moet zijn.

Ate de Jong liet zich er in Nederland al op voor staan nooit recensies van zijn films te lezen. Het enige dat telt is hoeveel kaartjes er verkocht worden. In dat opzicht is Drop Dead Fred, na een periode van jarenlang leuren en zeuren in Hollywood (daarover is De Jong in zijn berichten aan het thuisfront altijd heel eerlijk geweest) en de regie van de onopgemerkt gebleven exploitatiefilm Highway to Hell, een ideale stap in de ontwikkeling naar een verdere commerciële carrière. Als we De Jong niet kenden, zou dit stukje in ieder geval korter geweest zijn.