Sloveense economie snakt naar vertrouwen

Slovenië smeekt om internationale erkenning en om het einde van de burgeroorlog. De economische motor van Joegoslavië wil op eigen kracht verder.

Slovenië wacht af. Het wacht op internationale erkenning, want zonder erkenning geen normaal economisch verkeer met het buitenland. Het wacht tot de eigen politici eindelijk zijn uitgeruzied over de beste methode tot privatiseren. En het wacht op het eind van de Joegoslavische burgeroorlog.

Slovenië zal nog lang moeten wachten. Die erkenning is inmiddels zeker: morgen komt die van Duitsland, over uiterlijk een maand volgt de rest van de wereld. Eindelijk, zegt men in Ljubljana, weet Europa dat de Sloveense onafhankelijkheid een voldongen feit is. En ook de ruzie over de privatisering zal wel worden bijgelegd: dat is een kwestie van tijd. Maar de oorlog, dat zal langer duren, en nog langer zal het duren voordat de Sloveense bedrijven weer handel kunnen gaan drijven met de andere republieken van het voormalige Joegoslavië. Vijf jaar? Tien jaar? Men weet het niet. Men weet in Ljubljana alleen dat het heel lang zal duren.

Slovenië was de economische motor van Joegoslavië: met zijn industrie, die meer dan de helft van het Sloveense BNP levert, verzorgde het een kwart van de export van heel Joegoslavië, al woonde maar acht procent van de inwoners van Joegoslavië in deze republiek. Tweederde van de Sloveense export ging naar de EG, een kwart naar de andere Joegoslavische republieken. En de oorlog en het uitblijven van erkenning hebben de Sloveense export naar de EG danig geschaad, maar veel belangrijker is de schade die is aangericht aan de Sloveense export naar de rest van Joegoslavië: die is weggevallen, in zijn totaliteit. De Joegoslavische economie is dood. En de Sloveense banden met die Joegoslavische economie zijn dat ook.

De handel met Servië viel het eerst weg: de Serviërs riepen al twee jaar geleden een economische oorlog tegen de Slovenen uit, als protest tegen de Sloveense kritiek op de Servische terreur in Kosovo. Servië sloot zijn grenzen voor Sloveense produkten en Sloveense directeuren kregen telefonisch van Servische collega's te horen dat contracten met onmiddellijke ingang werden opgezegd omdat de Slovenen lelijke extremisten waren. Later meldden diezelfde Servische directeuren zich vanuit een openbare telefooncel om zich te verontschuldigen: ze moesten dat wel roepen. Maar met de handel op Servië was het wel gedaan. Net als met die op Montenegro, Servië's trouwste bondgenoot.

Later maakte de oorlog een eind aan de handel tussen Slovenië en de andere republieken: wegen werden gevaarlijk, verbindingen verbroken. Ook met gebieden waar niet wordt gevochten - Bosnië en de zuidelijke republieken - is geen handelsverkeer mogelijk.

De instorting van de Joegoslavische markt en de EG-sancties tegen Joegoslavië - inclusief Slovenië - hebben een bloeiende economie een zware slag toegediend: de produktie is gedaald met meer dan tien procent, de inflatie is opgelopen tot twintig procent per maand en de werkloosheid tot 5,5 procent.

Pag 18:

"De Slovenen hebben een Westerse mentaliteit'; De transformatie van de economie zal sneller verlopen dan elders

Dr. Matija Skof is president-directeur van Slovenijales, een van de grootste handelsondernemingen van Slovenië. Hij ziet, wat betreft de inter-Joegoslavische handel, de toekomst somber in. “De oorlog is nog lang niet voorbij, en zelfs als die ophoudt zal er jarenlang in de omstreden gebieden van Kroatië een guerrilla woeden.” Toch, zegt hij, ligt men in Slovenië niet werkelijk wakker van de consequenties: de blik is vooral op Europa gericht. “Wij leverden de andere Joegoslavische republieken tweedeklas-goederen en kregen er tweedeklas-grondstoffen voor terug. Het is niet zo belangrijk.” Bovendien, zegt hij, er wordt illegaal nog altijd handel gedreven met de andere republieken, zelfs met Servië: die handel verloopt via duistere omwegen in Triëst, Hongarije, Oostenrijk. Oostenrijkse bedrijven kopen op bestelling in Slovenië goederen en voeren ze weer uit naar Servië; omgekeerd bereiken Servische produkten Slovenië, dat ze dan weer uitvoert naar bestemmingen in bij voorbeeld de Sovjet-Unie. Zelfs met het verre, geïsoleerd gelegen Macedonië wordt nog handel gedreven: via Albanië: “Het leven geeft het antwoord op elk probleem”, zegt Skof. Alleen: het is natuurlijk maar een schijntje vergeleken met vroeger.

Het probleem, zegt hij, is meer politiek dan economisch van aard: als de andere republieken besluiten weer zaken te doen met Slovenië, kan die handel weer op gang komen: het zakenleven zal in geen enkele republiek dwars liggen. “De vraag is wanneer die politieke beslissing wordt genomen en waar die republieken dàn toe in staat zijn: de Kroatische economie is volledig verwoest, de Servische is het ook. Een libanisering van Joegoslavië is onvermijdelijk en het is heel wel mogelijk dat die republieken jarenlang alleen op ruilbasis handel zullen kunnen drijven.”

Van Sloveense zijde is er geen enkel politiek bezwaar tegen een hervatting van de banden met Servië. De Serviërs hebben inmiddels alle Sloveense bezittingen - grond, huizen, bedrijven - in beslag genomen; Sloveense vrachtwagens zijn geconfisqueerd en de chauffeurs zijn opgepakt en gedwongen dienst te nemen in het federale leger. Tegenmaatregelen zijn niet genomen: de Serviërs hebben hun bezittingen in Slovenië gewoon behouden. “We hebben het laten onderzoeken maar zijn tot de conclusie gekomen dat het volgens onze wet illegaal is Servisch bezit in beslag te nemen,” zegt een Sloveense minister fijntjes.

Slovenië, zegt Skof, is een geïndustrialiseerd land dat al heel lang volop handel drijft met Europa.

Van de export ging in 1990 73 procent naar West-Europa, van de import kwam 81 procent uit West-Europa. De belangrijkste uitvoerprodukten zijn produkten uit de sectoren metaalindustrie (machinebouw), de elektrische en elektronische industrie, telecommunicatie, de textiel-, farmaceutische en houtindustrie.

Slovenië telt ongeveer elfduizend bedrijven, waarvan zevenduizend in particuliere handen. Het merendeel van de zevenhonderd middelgrote en grote bedrijven moet nog worden geprivatiseerd.

Slovenië is derhalve niet vergelijkbaar met de andere landen van Oost-Europa: Slovenië heeft een hoog levenspeil, is zelfs zo welvarend dat de Slovenen dit jaar bij de privatisering van het woningbezit nauwelijks gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid krediet op te nemen maar hun woningen à contant hebben betaald.

Er zijn geen tekorten en geen rijen. Er is geen hulp nodig, er zijn hooguit bescheiden investeringen nodig - Skof schat ze op een miljard dollar over een periode van tien jaar - om Slovenië binnen eenzelfde periode op het niveau te brengen van de Italiaanse en Oostenrijkse economie op dit moment. Het is, zegt hij, een kwestie van vertrouwen, en dat vertrouwen zal komen zodra de internationale erkenning er is. Skof: “De Slovenen hebben een Westerse mentaliteit, een Duitse mentaliteit, we zijn property minded, er is een goed ontwikkelde vrije markt en het management is hoog ontwikkeld.”

In de toekomst, zegt Skof, zal Slovenië zich vooral richten op de ontwikkeling van het toerisme, de handel - als brug tussen het Westen en de Balkan - en de lichte industrie. De zware industrie wordt ontmanteld, maar dat, zegt Skof, is geen groot probleem: in tegenstelling tot Servië en de zuidelijke republieken heeft Slovenië maar weinig grote socialistische mastodonten.

Het verlies van de Joegoslavische markt veroorzaakt problemen, zegt Skof, in de zin dat het Slovenië dwingt zich op andere markten te concentreren en zijn prioriteiten bij te stellen. “Dat is op zich geen ramp. Dat moest toch een keer gebeuren, dus waarom niet nu. Het geeft niet, we waren een beetje verwend door die weinig eisende markt. We willen onafhankelijk zijn - nu goed, dan moeten we die pil ook maar slikken.”

Sceptischer over de toekomst van de Sloveense economie is dr. Joze Mencinger, econoom en tot voor kort vice-premier van Slovenië. “Natuurlijk, we zijn al afgestemd op de Westerse markt en hebben in die zin een grote voorsprong op alle anderen, inclusief bij voorbeeld Tsjechoslowakije. Maar we moeten door het wegvallen van de Joegoslavische markt wel goedkoper produceren, en dat zal ten koste gaan van de levensstandaard en tot sociale problemen kunnen leiden. We zijn rijk, maar slechts relatief: steeds meer groepen komen in de marge terecht. Zelfs als morgen de oorlog in Joegoslavië ophoudt, duurt het nog een jaar voor er weer van export sprake is en een kwart van het volume zal die export naar de andere republieken nooit meer bereiken.”

Ook het effect van internationale erkenning van Slovenië moet niet worden overdreven, zegt Mencinger. “Iedereen verwacht daar heel veel van. Dat is een Sloveense illusie. Voorlopig zal het allemaal moeilijker worden. We hebben het dieptepunt nog niet bereikt. Dat gebeurt pas over een jaar, als de werkloosheid zal zijn opgelopen tot vijftien procent.” Dat is vooral het resultaat van de oorlog: in mei van dit jaar, zegt hij, werd “een natuurlijk dieptepunt” bereikt: de produktie, de produktiviteit en de investeringen begonnen weer te stijgen, het concurrerend vermogen was in één jaar met 35 procent gestegen. Toen kwam de oorlog, de handel met Kroatië en het zuiden viel weg en de EG kwam met haar sancties - Slovenië kon weer opnieuw beginnen.

Ook Mencinger geeft echter toe dat de transformatie van de economie sneller en soepeler zal verlopen dan elders: “Er is al een arbeidsmarkt, er is een marktsysteem. Er moet alleen een kapitaalmarkt worden geïntroduceerd, en dat kan snel. De bevolking weet wat een marktsysteem is - investeerders zijn hier heel wat enthousiaster dan in de voormalige DDR - en goede managers hebben we ook.”

Over de vraag of Slovenië zijn economische transformatie binnen het oude Joegoslavië had kunnen verwezenlijken is iedereen in de nieuwe republiek het eens: dat had nooit gekund. Mencinger: “Hier wordt gezegd dat we in dat oude Joegoslavië werden uitgebuit: we moesten het arme zuiden helpen en dat kostte veel geld. Dat is nationalistische onzin, want dat zuiden besteedde veel van het geld om hier produkten te kopen. Maar zeker is: in het oude Joegoslavië konden we ons niet moderniseren. Slovenië was het snelste schip in het konvooi. Het mocht nooit sneller varen dan het langzaamste. We konden niet normaal functioneren, investeren, concurreren. Misschien ligt een deel van de schuld bij ons, we hebben vaak verworpen wat ons niet zinde, en misschien hadden we het met meer energie moeten proberen. Maar toen Servië zijn economische oorlog tegen ons ontketende, was het wat ons betreft gebeurd.”