René Koppert: In dit milieu zijn afspraken ook afspraken; Van knecht tot accountant

MONSTER, 18 DEC. Een Jan Janssen of Rik van Looy is hij nooit geworden. Hij heeft het wel drie jaar geprobeerd. Maar toen bleek dat alleen een bijrol als knecht voor hem was weggelegd, heeft hij zich gestort op een maatschappelijke carrière. Van beroepswielrenner tot econoom en accountant. Niet eens zo'n lange weg.

Bij het grote publiek zal de naam van René Koppert weinig blikken van herkenning wekken. Toch gold hij in de beginjaren tachtig als een van Neerlands grootste wielerbeloftes. In 1980, zijn eerste jaar bij de amateurs, reed hij zich in Olympia's Ronde onmiddellijk in het oranje leiderstricot. Om alleen door twee valpartijen daaruit te verdwijnen. Het jaar daarop won hij de Hel van het Mergelland en de Omloop van de Glazen Stad. Bij de WK in Praag eindigde hij in de 100 km-tijdrit als vierde.

Tijdrijden, sprinten, dat waren de specialiteiten van Koppert. Kwaliteiten die hem een aanbod opleverden van Peter Post. Hij kon de Raleigh-ploeg komen versterken. Koppert hoefde niet zo lang te peinzen. Hij liet zijn studie natuurkunde vallen. Koppert werd prof.

Wel ging hij heel planmatig te werk. Hij wilde niet zomaar een profrenner worden, geen anonieme meefietser in het peloton. Hij wilde een toprenner worden. Drie jaar nam hij om dat doel in zicht te krijgen. Het was alles of niets.

In zijn doorzonwoning in het Westlandse Monster vertelt Koppert (31) hoe zwaar het eerste profjaar was. “Ik kwam in een vacuum terecht. Van de optimale begeleiding van Jan Gisbers, mijn ploegleider bij de amateurs, ging ik over naar de non- of anti-begeleiding van Peter Post.”

Daarbij heeft hij een aantal fouten gemaakt die zijn entree bij de profs bemoeilijkten, vindt hijzelf achteraf. Hij had zich niet zo afzijdig moeten houden, zich beter moeten aanpassen aan het “kei- en kei-harde” wielermilieu, aan de manier waarop de renners zich uitdrukten en met elkaar omgingen. Ook al was dat niet zijn levensstijl. “Als jongen van 21 dacht ik dat ik de hele wereld in mijn eentje aankon, dat ik niemand nodig had. Terwijl je om verder te komen in het beroepswielrennen juist in de beginjaren sterk op je collega's aangewezen bent.”

Toch boekte hij een aantal aansprekende prestaties, juist in de tijdritten als het alleen maar aankwam op eigen kracht. Hij won ritten in de Dauphiné Libéré, de Ronde van Romandië, de Ronde van Duitsland. Het kon alleen nog maar beter gaan, dacht Koppert. Totdat hij samen met Peter Winnen aan het eind van het seizoen door Post werd geloosd. “Op een zeer onsportieve manier: door ons zolang mogelijk met onwaarheden aan het lijntje te houden.” Acht jaar na dato klinkt de verontwaardiging nog altijd door.

Daarna volgde een tweejarig verblijf in Italië bij ploegleider Bruno Reverberi. Niet de triomftocht die hij zich had voorgesteld. In het eerste seizoen reed hij vier keer bij de eerste tien. Zijn beste prestatie: tweede in de tijdrit van de Ronde van Trente. Achter Moser.

In de Giro haalde hij wel de koppen van de kranten, maar dat was uitsluitend te danken aan zijn amoureuze verrichtingen. Zijn ploegleider legde hem een startverbod op, omdat hij na afloop van een etappe zijn Italiaanse vriendin naar huis had gebracht en daar nog had gegeten ook. De vriendin is inmiddels moeder van zijn twee kinderen.

Na een beenblessure in zijn tweede Italiaanse jaar wist Koppert dat zijn droom voorgoed voorbij was. Hij miste eenvoudig de klasse om een topcoureur te zijn. “Ik had niet die echte killersmentaliteit. Ik was niet hard genoeg voor mezelf.” Hij wist ook dat de tijd begon te dringen als hij nog een maatschappelijke carrière wilde beginnen. “Nog twee jaar fietsen en ik was te oud geweest.”

Met het geld dat hij in Italië verdiend had, begon hij in Rotterdam economie te studeren. Daarbij ging hij te werk als een renner. Van acht tot vijf stampen als dagelijkse training. Afzien was hij wel gewend. Na vier jaar trad hij als afgestudeerde econoom in dienst bij de accountantsfirma KPMG Klynveld. Vandaag rondt hij, weer vier jaar later, de postdoctorale opleiding accountancy af.

Koppert zegt dat hij van zijn sportieve verleden in zijn maatschappelijke carrière alleen maar voordeel heeft gehad. “Het is een leuke binnenkomer bij cliënten. Daarbij komen de mentaliteit en het doorzettingsvermogen die ik als renner heb ontwikkeld, me in mijn werk goed van pas. Ook bij cliënten wil ik optimaal presteren.”

Verder, zegt Koppert, gaapt er tussen wielrennerij en accountancy een wereld van verschil. “Mensen met academisch niveau gaan toch anders met elkaar om. In de accountancy is ook veel minder rivaliteit. En afspraken zijn afspraken in dit milieu. In de wielrennerij kan een afspraak vijf minuten later alweer vergeten zijn.”