Oost-Europa moet ruime toegang tot Westeuropese markt krijgen; Geen hulp, maar handel

In het centrum van Praag verkopen bloemisten tegenwoordig Nederlandse bloemenzaden. De kleurrijke zakjes staan trots in de etalage uitgestald tussen de bruidsboeketten. In Warschau staan de kistjes met Hollandse tomaten je in de winkels tegemoet te glanzen. In het centraal station, op nog geen steenworp afstand van het luxe Marriot hotel, worden de inmiddels lege Hollandse veilingkistjes gebruikt om wat eenvoudige huisvlijt op te verkopen. Met de democratie is er nog niet meteen welvaart gekomen, althans lang niet voor iedereen. Voor grote groepen in Oost-Europa lijkt welvaart zelfs verder weg dan ooit. Democratie gaat evenmin vanzelf. Gevoed door de economische misère steken nationalisme en vreemdelingenhaat overal de kop op. Iedereen kijkt verlangend naar West-Europa. De Europese Gemeenschap lijkt het paradijs, de panacee voor alle problemen.

Zo simpel is het misschien niet, maar dat West-Europa bij uitstek de eerste verantwoordelijkheid draagt, staat voor mij vast. Integratie van Oost-Europa in de Westerse structuren is essentieel. Het belang hiervan is voor onszelf zeker zo groot als voor Oost-Europa. De toestand in Joegoslavië is een dramatische waarschuwing. Welvaart is natuurlijk geen garantie voor stabiliteit, maar omgekeerd geldt wel dat economische teruggang, ja zelfs armoede, in combinatie met net herwonnen of voor het eerst gekregen vrijheid een vrijwel zekere basis is voor instabiliteit. Een verdere "balkanisering' van Europa moeten we zoveel mogelijk zien tegen te gaan.

Op deze pagina is de afgelopen weken een discussie gevoerd over hulp aan Oost-Europa. In deze bijdragen overheerste de mening dat het Westen niet genoeg zou doen en Nederland al helemaal niet. Ik vind die laatste stelling aanvechtbaar. Maar daarom gaat het niet eens. Als variant op "niet bij brood alleen', geldt hier: niet bij hulp alleen. Het is namelijk niet zo, dat een bedrag met veel nullen, méér nullen, per se leidt tot snellere omvorming en betere integratie in Westeuropese structuren. Van hoe groot belang hulp ook is, echt essentieel zijn de commerciële economische contacten: "trade, not aid' of beter nog "no effective aid, without trade'.

Het Oosteuropese bedrijfsleven heeft nooit onder reële marktomstandigheden gewerkt en kan dit eigenlijk het best leren door directe contacten met Westerse bedrijven. Bovendien levert export direct deviezen op en dat kan van hulp niet altijd worden gezegd. Het Nederlandse beleid op dit gebied wordt niet voor niets door het ministerie van economische zaken gecoördineerd. Export is van vitaal belang voor de economische ontwikkeling in de Centraal- en Oosteuropese landen. Nederlandse produkten zijn er al wel in Oost-Europa. Maar hoe zit het omgekeerd? Van de vele wijn die wij tegenwoordig in Nederland drinken, komt nog maar één procent uit Hongarije, een wijnproducent bij uitstek. Pools rundvlees kan maar mondjesmaat op de Westeuropese markt gebracht worden.

Nederland heeft zich daarom ook voortdurend sterk gemaakt voor ruimhartige associatieakkoorden met Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije. Dat de importbeperkingen op staalgebied verder worden "afgebouwd', is mede aan Nederland te danken. In de onderhandelingen daarover stonden we soms dichter bij onze Middeneuropese tegenspelers dan bij bepaalde EG-partners. Hoewel niet in geld te meten - en dus niet aanwezig in de internationale vergelijkingen van hulpinspanningen - is deze Nederlandse steun van het grootste belang gebleken. Deze week zijn deze akkoorden getekend, maar dit betekent geenszins dat wij nu achterover kunnen leunen. In de naaste toekomst zullen wij ook andere Centraal- en Oosteuropese landen ruimere toegang tot de Westeuropese markt moeten bieden.

Een andere belangrijke weg om duurzame groei in Centraal- en Oost-Europa te bevorderen, is het aantrekken van Westerse investeringen. Ook hier geldt dat dergelijke investeringen vooral zullen worden gestimuleerd door gegarandeerde markttoegang tot de Gemeenschap. Immers, juist de goedkope produktiefactoren (vooral arbeid) maken deze nabijgelegen landen tot een rendabele exportbasis, terwijl de thuismarkt aldaar, in elk geval de eerste jaren, nog veel te weinig koopkrachtige vraag heeft.

Juist omdat investeren in Oost-Europa voor een onderneming vaak meer betekent dan een normaal bedrijfsrisico is in dit bijzondere geval een financiële stimulans van de overheid op zijn plaats. Dit is een belangrijk onderdeel van het Nederlandse Oost-Europabeleid. Via de wet herverzekering investeringen (WHI)kan het politieke risico, zoals bijvoorbeeld het onteigeningsrisico van investeringen in Oost-Europa via de overheid worden afgedekt. Investeringen worden ook in de aanloopfase bevorderd via een instrument dat haalbaarheidsstudies en proefprojecten faciliteert. Behalve aan deze al bestaande instrumenten hecht ik, met de Tweede Kamer trouwens (motie Leers-Valk), grote waarde aan de totstandkoming van investeringsfaciliteiten, die ook commerciële risico's afdekken. Deze faciliteiten moeten vooral ten goede komen aan het middelgrote en kleinere bedrijfsleven. De suggesties die Rinnooy Kan hiervoor deed in zijn bijdrage aan de discussie (NRC Handelsblad 27 november) zijn waardevol. De problemen bij dergelijke faciliteiten mogen overigens niet worden onderschat. De overheid dient ervoor te zorgen dat zij door haar ingrijpen niet concurrentievervalsend optreedt.

Handel en investeringen spelen de hoofdrol, maar bieden niet voor alles een oplossing. Terecht is in tal van bijdragen in de discussie in deze krant gewag gemaakt van het algemene gebrek aan ondernemerschap, managementvaardigheden en het ontbreken van de juiste infrastructuur. Om nog maar te zwijgen van het verouderde, vaak vervuil(en)de produktieapparaat en de milieuproblemen waarmee de regio wordt geconfronteerd. Bij de verwijdering van dit soort knelpunten speelt niet-commerciële kennisoverdracht vanuit het Westen een belangrijke aanvullende rol. Nederland geeft daarom ook technische assistentie, en wel via het Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO). Wij geven PSO-hulp juist op die gebieden waar Nederland speciale expertise in huis heeft. Onze landbouwsector is niet ten onrechte beroemd. Ik noem verder bijvoorbeeld milieu en energie of logistieke dienstverlening, maar ook projecten op cultureel, sociaal en onderwijsgebied, die bijdragen aan de opbouw van een pluriforme samenleving.

In totaal zijn er op dit moment ruim driehonderd PSO-projecten opgezet. Bij advisering van individuele bedrijven speelt het Programma uitzending managers (PUM) een nuttige en bij uitstek inspirerende rol. De waardering voor PUMmers in de ontvangerlanden blijkt groot.

Nederland hecht sterk aan internationale coördinatie van het hulpbeleid. Dit richt zich zowel op de ontvangende landen als op het internationale overleg.

De PSO-hulp wordt geconcentreerd op die sectoren, die de ontvangende landen zelf als meest wenselijk aangeven. In de toekomst zal het aantal gebieden wellicht nog verder kunnen worden toegespitst door de steeds verder verbeterde internationale afstemming. Internationaal zoekt Nederland bij zijn hulpverlening zoveel mogelijk aansluiting bij de EG-programma's voor Oost-Europa (PHARE) en bij de aktiviteiten van multilaterale instituten, bijvoorbeeld door middel van cofinanciering en door trustfunds bij Wereldbank en Oost-Europa Bank. Nauw aanhaken bij dit soort EG- en multilaterale projekten, vergroot het effect van de hulp en vermindert de coördinatieproblemen niet alleen hier maar ook in de ontvangende landen. Dit geldt nog in sterkere mate voor de hulpinspanning gericht op de republieken van de voormalige Sovjet-Unie.

Als het om Oost-Europa gaat, komen voor sommigen tal van onderdelen van het gewone buitenlandse (economische) beleid blijkbaar ineens in een ander licht te staan. Een voorbeeld is de exportkredietverzekering. Men suggereert nogal eens bij wijze van hulp de mogelijkheden van exportkredietverzekering te verruimen. Die weg moeten we zeker niet op. De kans bestaat dat kredietverzekering aan Oosteuropese landen die niet kredietwaardig zijn, maar vanwege ruime exportkredietverzekeringsmogelijkheden toch goederen aanschaffen, die landen met torenhoge schulden doet blijven zitten. Exportkredietverzekering leidt op die manier ook tot gigantische concurrentievervalsing tussen Westerse bedrijven. Er zijn genoeg andere hulpinstrumenten.

Exportkredietverzekering behoort niet tot het hulpinstrumentarium en dat moeten we ook zo houden.