Onafhankelijke stichting zal beslissen; Beurs en bedrijfsleven eens over bescherming

ROTTERDAM, 18 DEC. Bedrijfsleven en beurs zijn het eens over wat acceptabel is als bescherming tegen een onvriendelijke overname. Dit is vanmiddag bekend gemaakt.

Bedrijven mogen evenveel preferente (beschermings) aandelen uitgeven als ze gewone aandelen uit hebben staan, maar de stichting die die preferente aandelen houdt zal echt onafhankelijk moeten zijn. Bovendien zal de aandeelhouders na twee jaar gevraagd worden of die preferente aandelen ingetrokken dienen te worden. Ook de preferente aandelen hebben stemrecht in die zaak.

Hiermee hebben de Vereniging Effecten Uitgevende Ondernemingen (VEUO) en de Vereniging voor de Effectenhandel (VEH) na lang beraad op hoofdpunten overeenstemming bereikt.

De nieuwe regeling zal op 1 april volgend jaar in werking treden. Voor reeds beursgenoteerde bedrijven is het grootste verschil dat de houders van de beschermingsaandelen onafhankelijker zullen moeten zijn dan nu het geval is. Daar staat tegenover dat nieuwe beursfondsen de mogelijkheid krijgen 100 procent preferente aandelen uit te geven, in plaats van nu 50 procent.

De VEUO en de VEH hadden begin 1989 een eerste wapenstilstand bereikt over de hoeveelheid bescherming die aanvaardbaar werd geacht. Volgens deze overeenkomst zou er voor reeds aan de beurs genoteerde ondernemingen niets veranderen. Die mochten alle bescherming houden die ze wilden. Nieuw aan de beurs te noteren ondernemingen zouden echter minder bescherming mogen hanteren.

Dit laatste bleek overigens niet te gelden voor Internationale Nederlanden Groep. De nieuwe beursvennootschap die Nationale Nederlanden en de NMB Postbank begin dit jaar overnam. Die mocht nog evenveel bescherming houden als Nationale Nederlanden had.

In november vorig jaar formuleerde de VEUO haar eigen standpunt. In januari van dit jaar formuleerden beurs en VEUO tezamen enkele “obeservaties” ten aanzien van de dertiende EG-richtlijn, die onder andere bescherming regelt.

Toen ontstond echter enige consternatie nadat uitlekte dat de beurs nog een eigen brief met haar standpunt aan de minister van financiën had gestuurd. De minister raakte het gekissebis tussen VEUO en beurs beu.

Op 4 februari van dit jaar publiceerde de minister van financiën een notitie over de beschermingsconstructies. Hij nam zelf geen standpunt in, maar stelde dat het met het oog op overleg in Brussel noodzakelijk was dat beurs en bedrijfsleven met één eensluidend stanpunt moesten komen. De minister zei dat VEUO en VEH te kennen hadden gegeven vóór 1 januari met een definitieve regeling te zullen komen.

Die limiet bleek niet eenvoudig te halen. Onlangs mengde de voormalige minister van financiën Ruding zich in de discussie. Vorige maand stelde hij in Nijmegen dat een nette partij, die twee derde van de aandelen had verworven, op de juiste manier gefinancierd, binnen twee jaar ook zeggenschap in een beursfonds uit moest kunnen oefenen.

Die suggestie van de ex-minister is niet opgevolgd. Het onafhankelijke bestuur van de stichting preferente aandelen zal nu in feite bepalen of de grootaandeelhouder zeggenschap krijgt.