Nederland houdt demografische wijzigingen niet bij

AMSTERDAM, 18 DEC. Economische noodzaak drijft vrouwen, sterker dan culturele aspiraties, naar de arbeidsmarkt. Nederland telt steeds minder klassieke gezinnen, maar past zich qua voorzieningen nauwelijks aan deze ontwikkeling aan. Daarmee is Nederland een uitzondering in Europa. De groeiende categorie alleenstaanden slaagt er in tegenstelling tot veler verwachting gemiddeld net zo goed in te voorzien in haar behoefte aan informele zorg (zorg waar geen betaalde krachten aan te pas komen) als gezinnen.

Dit zijn enkele conclusies van het gisteren gehouden symposium "De demografische uitdaging; Nederland in Europa op weg naar de 21e eeuw'. Op een soortgelijk symposium 25 jaar geleden met de onheilspellende titel "De mens in dichte pakking' stond de dreigende overbevolking van Nederland nog centraal. Het geboortecijfer is de afgelopen 25 jaar echter veel sneller gedaald dan demografen voor mogelijk hielden.

De lezingen van gisteren gingen dan ook niet zozeer over de omvang van de bevolking, als wel over de samenstelling ervan. Ontgroening, vergrijzing en immigratie zijn de kernbegrippen. Tegelijk vinden andere, meer culturele veranderingen plaats: het klassieke gezin verliest aan betekenis, er komen steeds meer alleenstaanden en steeds meer gehuwde vrouwen begeven zich op de arbeidsmarkt.

De deelname aan betaalde arbeid door gehuwde vrouwen is in Nederland extreem laag. De laatste tijd klinkt dan ook steeds meer de roep om een grotere participatie, om het draagvlak van de verzorgingsstaat te vergroten. Bij een ongewijzigde participatiegraad staat er in 2040 tegenover elke werkende 0,7 65-plusser, aldus H. van Stiphout van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. Hij betwistte niet dat er iets aan die participatiegraad moet gebeuren, maar hij onderstreepte dat extra participatie ook economische nadelen heeft die doorgaans worden verzwegen. Er moet immers worden geïnvesteerd om die mensen aan een baan te helpen. Het uiteindelijke resultaat is dat de welvaart afneemt.

Het percentage werkende gehuwde vrouwen in Nederland is een van de laagste van alle geïndustrialiseerde landen. Wel groeit het de laatste jaren flink. De vraag is hoe dat komt. De kans dat een 30-jarige gehuwde vrouw met een opleiding op LBO- MAVO-niveau, een kind tussen 0 en 3 jaar en geen gezondheidsproblemen een baan heeft bedraagt 51 procent, aldus Van Stiphout. Vervolgens liet hij zien wat er met die deelnamekans gebeurt als je een van de variabelen verandert. Heeft de vrouw een HBO- WO-opleiding, dan neemt de kans dat ze werkt toe tot 67 procent. Hij ziet dit als culturele ambitie: hoe meer vrouwen in hun opleiding hebben geïnvesteerd, hoe meer ze er later mee willen doen. Bij gelijkblijvende overige variabelen heeft een ongehuwde vrouw een deelnamekans van 84 procent. Van Stiphout interpreteert dit als economische noodzaak, bij ontstentenis van een man die de kost verdient. Die economische noodzaak heeft dus een aanzienlijk groter effect op de arbeidsmarktdeelname van vrouwen dan de culturele aspiraties.

Bij echtparen waarvan beide partners werken was het aanvankelijk zo dat het tweede inkomen werd beschouwd als "extra'. Men paste het consumptieniveau niet aan. Het consumptiepatroon van tweeverdieners begint de laatste jaren echter meer en meer te lijken op dat van eenverdienergezinnen met een even hoog gezinsinkomen. “Mensen streven een relatief hoog consumptieniveau na en passen de hoeveelheid arbeid daaraan aan”, aldus Van Stiphout. Dit vormt een bevestiging van economische noodzaak als voornaamste factor die vrouwen naar de arbeidsmarkt drijft.

Ruimtelijk speelt Nederland slecht in op de veranderende samenstelling van de huishoudens, vindt R. van Engelsdorp Gastelaars, hoogleraar sociale en economische geografie aan de Universiteit van Amsterdam. Zo blijkt uit zijn onderzoek dat een baan en een kind voor een alleenstaande in een groeikern nauwelijks zijn te combineren door tijd- ruimte-beperkingen. De afstand tot werk en voorzieningen is daar veelal relatief groot.

Daarbij komt dat Nederland qua voorzieningen nauwelijks inspeelt op veranderingen in de samenstelling van de huishoudens. Scholen die kinderen tot half zes vasthouden zijn er niet, evenmin als winkels, banken en overheidsdiensten die 's avonds open zijn. Behalve voor dit soort voorzieningen pleitte Van Engelsdorp Gastelaars voor het scheppen van hoogwaardige woonmilieus in de stad ("yuppentorens') en voor woningbouw in het Groene Hart.

Vooral uit christen-democratische hoek klinkt het geluid dat de afname van het aantal gezinnen en de toename van het aantal alleenstaanden samenhangt met een verdwijnend gevoel voor verantwoordelijkheid voor en solidariteit met de naaste. Daardoor zou het beroep op professionele zorg toenemen en dat kost de gemeenschap veel geld. C. Knipscheer, hoogleraar aan de Vrije Universiteit, plaatste daar kritische kanttekeningen bij. Uit zijn onderzoek bleek dat problemen waarbij mensen behoefte hebben aan hulp tamelijk a-select over de bevolking zijn verdeeld. In ongeveer 5 tot 9 procent van die hulpbehoefte kon niet worden voorzien.

Maar ook hier bestond geen significante samenhang met achtergrondvariabelen als huwelijkse staat, leeftijd en sociale klasse. Verschillende huishoudensvormen bleken weinig te variëren naar hulpbehoeften en informele hulpbronnen. Wel wordt die informele hulp door anderen verleend: alleenstaanden krijgen 22 procent van hun informele hulp van vrienden, 17 procent van buren en 12 procent van ouders. Bij klassieke gezinen zijn de partner (41 procent), de kinderen (13 procent) en de ouders (13 procent) de belangrijkste informele hulpbronnen.

Demografisch gezien bevindt Nederland zich in een bevoorrechte positie in Europa, stelde de demograaf D. van de Kaa, directeur van het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS). Immers, wij hebben een officieel regeringsstandpunt dat zich verzoent met een dalende bevolkingsomvang. Aantrekkelijk is dat de bevolking relatief jong is, zodat we rustig kunnen kijken hoe andere landen het probleem van de gecombineerde ontgroening en vergrijzing oplossen.