Het probleem is niet of het woord achter het ...

Het probleem is niet of het woord achter het beeld, zeg maar: het boek achter de televisie en de videoclip zal verdwijnen, het grootste probleem is wellicht dat wij slecht met beelden weten om te springen, dat er veel schort aan onze visuele scholing.

Dat er een golf van neo-iconoclasten dreigt aan te komen.

Onze receptie komt gecompliceerdheid tekort en kritisch vermogen. Onze ondeskundigheid verarmt het gamma van onze visuele prikkels. Vernauwt de reikwijdte.

Er is meer beeldkennis nodig.

Feiten, dictees, rijtjes. Ideeën, historie, motieven. Tempo's, citaten, dubbelzinnigheden. Alles mutatis mutandis.

Lezen moet men leren, maar naar iets kijken denkt iedereen te kunnen.

Men is zich te weinig bewust van de dienstregeling tussen beschouwer en beeld, van alles wat zich in de ruimte tussen oog en verschijning bevindt aan pijlen, rotondes, waarschuwingsborden, doodlopende stegen, hindernissen en vluchttunnels.

Men is dringend aan beeldscholing toe.

Men kijke daarbij vanzelfsprekend niet in de eerste plaats naar de populaire televisieprogramma's.

Ik heb wel eens vernomen van onzin in de trant van onderwijskundigen die kinderen "bewust met televisietaal' willen leren omgaan.

Men leert ook niet lezen door alleen graffiti te spellen.

Men zal beter naar de kunst moeten leren kijken. Naar de natuur voor mijn part.

Leren kijken zonder woorden.

Dan komt het "omgaan' met de televisie vanzelf.

Zoals men ook, als men zijn Multatuli en Couperus kent, alle wc-opschriften in zijn zak heeft.

Het zal meteen betekenen, dit beter leren begrijpen van concrete beelden, dat men het woordloze intenser en concreter ervaart.

Dat men niet alles wat ontastbaar is - alles wat niet meteen te koop is of wat geen knal geeft - al bij voorbaat als flauwekul zal afdoen.

Een diepere duik in wat nu nog als oppervlakkig wordt uitgekreten kan méér dan alleen de tv minder oppervlakkig maken.

Het is de taal die dat moet doen.

Alleen al in de vorm van handleidingen bij het beeld is er een grote toekomst voor het boek.

En dan bedoel ik waarachtig niet die eindeloze stroom van veel te dikke, veel te dure en veel te breedsprakige boeken over hoe men met computers aan de slag kan.

Ik bedoel de boeken die mensen met een visuele achterstand tuchtigen tot kijken.

Tot die categorie behoren ook de meeste lezers.

De drukkers en boekenclubs en kioskhouders kunnen gerust zijn.

Wat het commerciële aspect betreft lijkt me elke bezorgdheid uit den boze.

Wat het literaire aspect betreft, dat lijkt me nooit een eerste zorg geweest van hen die het commerciële aspect voor ogen hebben.

Maar het is zeker óók de literatuur die er bij kan winnen - bij een revival van het beeld in al zijn glorie en onverstoorbaarheid.

Ik zie het niet zo somber in.

Dat spijt me, want ik begrijp maar al te goed dat een béétje koffiedikkijker, een beetje schrijver die zich voor intellectueel houdt, een beetje tijdgeestvorser op niets zó uit is dan dat er een huivering door zijn publiek vaart.

Een huivering van het-komt-nooit-meer-goed en het-is-allemaal-nog-veel-erger-dan-ik-dacht.

Ik zie de lezer, heen en weer geslingerd tussen beeld en woord, niet radeloos worden en in getal afnemen.

Hij is me alleen soms te zelfgenoegzaam. Hij holt me wat al te gemakkelijk achter al de profeten aan - om het seizoen een andere - die hem de ondergang van het woord voorspellen. Elke ondergangsvoorspelling stelt hem nu eenmaal gerust, omdat die hem van zijn verantwoordelijkheid bevrijdt.

Ik vraag alleen een beetje meer inspanning van de lezer.

Hij zou eens een boek moeten laten liggen.