"Evangelie' beroepsonderwijs verbreiden; Betrokkenheid van bedrijfsleven neemt toe door convenant

DEN HAAG, 18 DEC. Na anderhalf jaar praten en onderhandelen stonden er gisteren dertien mannen met even zo vele glazen witte wijn achter de tafel. Drie ministers (van onderwijs, economische en sociale zaken) en tien vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties brachten in een hotel aan het Haagse Buitenhof een toost uit op de totstandkoming van een convenant over het beroepsonderwijs (1991-1994).

De besprekingen over een grotere betrokkenheid van het bedrijfsleven bij het beroepsonderwijs hadden lang geduurd, constateerde men in de toespraakjes. “Te lang”, oordeelt even later de man die naast de minister van onderwijs achter de tafel stond. Minister J.E. Andriessen van economische zaken laat na de ondertekening blijken de smaak van onderwijs te pakken te hebben gekregen. Nu op basis van de voorstellen van de commissie-Rauwenhoff allerlei intenties zijn uitgesproken om de mogelijkheden van combinaties van werken en leren te onderzoeken, bedrijven bestuurlijk meer bij de scholen te betrekken en waar mogelijk met inventaris of apparatuur te laten bijstaan, wil Andriessen “hard aan het werk” om de betrokkenen ook daadwerkelijk zo ver te krijgen.

De voorgeschiedenis van het convenant bood het departement van Andriessen alle gelegenheid haar rol op onderwijsgebied te vergroten. Zo kwam het idee om de commissie-Rauwenhoff in te stellen van voormalig secretaris-generaal van economische zaken Rutten. Maar er waren ook andere redenen voor Andriessen om het verloop van de discussie nauwlettend in de gaten te houden. Andriessen: “Economische Zaken heeft nogal een rol gespeeld in de onderhandelingen omdat die door geldkwesties nogal stroef verliepen.” Daarbij doelt de bewindsman op de financiële claims die zijn collega Ritzen tijdens de besprekingen bij het bedrijfsleven legde om de begrotingsproblemen bij Onderwijs te helpen oplossen, zoals 150 miljoen vorig jaar en enkele tientallen miljoenen de afgelopen maanden. Andriessen: “Eén keer liep die geldkwestie zo hoog op dat de sociale partners uit de boot dreigden te vallen.” Door bemiddeling van onder anderen Andriessen kon er echter gisteren in Den Haag toch worden getekend.

Ook in de uitvoering van het akkoord ziet Andriessen belangrijke taken voor zijn apparaat weggelegd. Daarvoor is de afdeling Algemeen Technologie Beleid de laatste tijd uitgebreid, een ontwikkeling die men op het departement van Ritzen met lede ogen aanschouwt. Verder zullen de ambtenaren van Economische Zaken als een soort zendelingen het land in trekken om de contacten tussen scholen en bedrijven te verstevigen. Andriessen: “Van de honderdveertig bedrijfstakken zijn er eigenlijk maar vijf of zes waar het contact met het onderwijs goed is. Bij de rest gaan we de komende tijd het evangelie verkondigen dat ze niet alleen moeten klagen dat de scholen niet genoeg leren, maar dat ze er zelf ook wat aan moeten doen.”

Grote bedrijven zoals het chemie-concern DSM in Limburg hebben in het verleden een voortrekkersrol gespeeld bij het aanhalen van de contacten met de scholen. Tot grote spijt van de werkgeversorganisatie VNO die altijd volhield dat bedrijven geen structurele financiële verantwoordelijkheid hebben voor het volletijds beroepsonderwijs zoals LBO en MBO, betaalde DSM mee aan de inrichting van bijvoorbeeld complete cursussen keramische technieken op dergelijke scholen in Limburg.

Ook Andriessen zegt zich op dergelijke bedrijven te willen richten. “Je kunt grote bedrijven of groepen van bedrijven enthousiasmeren om een LTS onder de arm te nemen en ze samen opleidingsschema's te laten opstellen, of nascholing te laten organiseren. Dat is lang niet altijd een geldkwestie.” Daarnaast wil Andriessen het bedrijfsleven een grotere bestuurlijke invloed geven. “Wie moet de school nu eigenlijk organiseren? Alleen Onderwijs? Nee, het bedrijfsleven moet daar ook een zekere zeggenschap over hebben.”

Het midden- en kleinbedrijf heeft traditioneel veel minder mogelijkheden om die invloed uit te oefenen, zegt Andriessen. De bakker of het loodgietersbedrijf ontbreekt het vaak aan de expertise en tijd om leerlingen goed op te leiden. Andriessen wil daarom bevorderen dat de overkoepelende organisaties in deze branche meer aandacht aan de onderwijsactiviteiten gaan besteden.

Uitvoering van het convenant moet volgens Andriessen uiteindelijk leiden tot een situatie zoals in Duitsland. Daar bestaat eigenlijk nauwelijks volletijds beroepsonderwijs maar gaan veel leerlingen na de middelbare school een bedrijf in om daar enkele dagen te werken en de rest van de week te leren. “Het is ideaal hoe daar het leerlingstelsel is georganiseerd”, zegt Andriessen. “We zijn daar in Nederland ver van afgeraakt. Vijfentwintig jaar geleden hadden we zelf ook zo'n goed werkend leerlingstelsel. Maar dat hebben we afgebouwd.” Uitvoering van het convenant betekent in de ogen van Andriessen dan ook in zekere zin een terugkeer naar vroeger.