Breekijzer

ZONDAG HERDACHTEN de Verenigde Staten van Amerika het tweehonderdjarig bestaan van de Bill of Rights, de catalogus van grondrechten die aan de grondwet van 1787 werd toegevoegd.

Deze verjaardag krijgt heel wat minder ophef dan de constitutionele “bicentenary” die vier jaar geleden zo uitvoerig werd gevierd. Toch is de betekenis van de rechten van de mens voor de “meer volmaakte unie” in Amerika niet minder. Dat geldt niet in de laatste plaats voor de rol die de Bill of Rights bleek weg te leggen voor de rechter. “Er is geen controverse van betekenis die niet vroeger of later terecht komt bij de rechterlijke macht”, noteerde Tocqueville in de vorige eeuw ademloos tijdens zijn befaamde rondreis door de Amerikaanse democratie.

Het contrast met het Europa van Maastricht 1991 is op het eerste oog markant. Toch heeft het Hof van Justitie van de EG in Luxemburg zojuist op de valreep het associatieverdrag met de vrijhandelszone EVA onderuit gehaald. De rechters hebben onoverkomelijke bezwaren tegen de manier waarop het beslechten van geschillen is geregeld. Deze bezwaren zijn niet vervat in een echte uitspraak doch in een advies op verzoek van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EG. Dat maakt het praktische effect van het rechtersprotest niet minder: de parafering van dit gewichtige akkoord werd direct uitgesteld.

De afgekeurde constructie voorziet in een gemengd EG-EVA-tribunaal voor geschillen in verband met de nieuwe “economische ruimte”. De inbreng van het EG-hof is gegarandeerd maar toch is het bevreesd dat de constructie leidt tot een rechterlijk tweesporenbeleid. De rechtspraak van het gemengde tribunaal zal onvermijdelijk de uitleg van de corresponderende bepalingen binnen de Twaalf verwateren. Bovendien is het Hof beducht dat de bindende kracht van de boven-nationale rechtspraak binnen de EVA het niet haalt bij de - inderdaad niet geringe - invloed van het Hof van Luxemburg op de Twaalf. Het Luxemburgse Hof is met andere woorden beducht voor een economische ruimte van twee snelheden.

WAAR VIEL zoiets onlangs ook al niet eens te horen? De vergelijking dringt zich op met het Verenigd Koninkrijk en met name zijn voorbehouden ten opzichte van het Sociaal Handvest. De politieke organen - regeringsleiders en Europese Commissie - hebben premier John Major in Maastricht aardig uit de wind gehouden. Maar het Hof was daar niet aanwezig en heeft de handen vrij. Formeel kan Groot-Brittannië ook niet worden aangesproken op wat de andere elf aan nieuws afspreken over sociaal beleid.

Maar het bestaande EG-verdrag bevat zelf reeds allerlei handvatten, ook op sociaal gebied. Het Hof van Justitie bracht het belang daarvan onlangs in herinnering door zijn uitspraak tegen het Verenigd Koninkrijk in de zaak-Barber over de gelijke behandeling van man en vrouw bij pensioenen. De Raad van Ministers van de EG reageerde als door een angel gestoken om de gevolgen, die in de miljarden kunnen lopen, in te dammen. Maar het blijft naar het zich laat aanzien een lief bedrag. De opstelling van het EG-hof ten aanzien van de vrijhandelszone geeft geen aanleiding te verwachten dat het coulant zal zijn met een afzonderlijke lid-staat, zoals Groot-Brittannië die op sociaal gebied uit de EG-pas loopt.

De wijze waarop het Hof van Justitie zich profileert ten aanzien van het akkoord tussen EG en EVA vormt een teken te meer dat de rol van deze instelling in het proces van Europese integratie niet dient te worden veronachtzaamd. In de grootscheepse studie Integratie door het recht uit 1986 wordt het Hof door een team van internationale juristen zelfs aangemerkt als de voornaamste motor van een federaal Europa. Het F-woord is in Maastricht geschrapt. Tot nadenken stemt in het bijzonder de kanttekening van de rechtsgeleerden dat de rechten van het individu in een federale structuur meer kans maken dan in een niet-federale (confederale) opzet, die meer gericht is op collectieve (nationale, regionale) vrijheden.

DIT ASPECT van de rol van het Hof is niet onaantrekkelijk. In het EVA-advies onderstrepen de rechters nog weer eens de betekenis van de “rule of law” - de gedachte van de rechtsstaat - voor de EG. Maar het is van origine een economisch hof. Dat verklaart een zekere krampachtigheid in sommige motiveringen - niet in de laatste plaats omdat zij zich slechts zijdelings richten tot de rechten van de mens, de onontbeerlijke grondslag van iedere rechtsorde. In Europees verband zijn die primair een zaak van een andere organisatie, de Raad van Europa, en een ander hof, namelijk dat voor de rechten van de mens te Straatsburg. Het Luxemburgse Hof heeft inmiddels aansluiting gezocht bij Straatsburg, maar de rechten van de mens blijven te zeer een “corpus alienum” in de EG-jurisprudentie.

Het is prima als het Hof van Justitie als breekijzer fungeert. We hebben dat in Nederland kunnen ervaren in het geval van ons verkalkte omroepbestel. De grote les van Amerika is echter dat daar op termijn alleen een draagvlak voor bestaat indien een Bill of Rights de hoeksteen vormt van de eenheid. Het EG-hof kan zijn plaats pas werkelijk inhoud geven wanneer het eens ophoudt ingewikkelde kwesties te proppen in de terminologie van de vrije mededinging en de rechten van de mens direct tot uitgangspunt neemt. Het Europa van de burger, nietwaar?