Zakelijk succes van "softe' handel met Derde wereld

Kopen in ontwikkelingslanden: onvermijdelijk, wenselijk en vernieuwendAuteurs: J.M. Pomp, C. den Hollander, E.J.J.M. Kimman. 's Gravenhage, Stichting Maatschappij en Onderneming, 1991, 112 blz. prijs: ƒ 24.50 ISBN 90-6962-074-x

Het begon in de tijd van de hippies, de Flower-Powergedachte, Provo en Kabouters, Dolle Mina, vrouwenemancipatie, anti-autoritaire crêches en communes. Idealistische jongeren keerden zich af van de consumptiemaatschappij met z'n overdaad aan massafabrikaten. Produkten moesten "eerlijk', "echt' en "natuurlijk' zijn. In dat klimaat ontstonden alternatieve handelsorganisaties als SOS Wereldhandel en de Wereldwinkels, die zich toelegden op het in- en verkopen van artikelen uit Derde-Wereldlanden. Doelstelling daarbij was de producenten een goede prijs te betalen.

Het reguliere bedrijfsleven heeft de alternatieve handelaren en winkeliers altijd beschouwd als wereldvreemde geitewollen-sokkendragers, maar zal die mening na lezing van Kopen in ontwikkelingslanden moeten bijstellen. Met name SOS Wereldhandel wordt daarin beschreven als een professionele organisatie. Ideële uitgangspunten blijken geen belemmering te zijn voor zakelijk succes.

Kopen in ontwikkelingslanden draait om twee vragen. Kunnen Nederlandse ondernemingen door hun inkoopbeleid een bijdrage leveren aan oplossingen voor de problemen van ontwikkelingslanden? En: kunnen consumenten door hun bestedingsgedrag druk uitoefenen op ondernemingen om bij het inkoopbeleid rekening te houden met die problemen?

Het zijn complexe vragen omdat het kopen in ontwikkelingslanden vaak gepaard gaat met machtsmisbruik ten aanzien van producenten en werknemers en met nadelige gevolgen voor het milieu.

Om er een antwoord op te vinden, heeft de Stichting Maatschappij en Onderneming, uitgever van de publicatie, door het Economisch en Sociaal Instituut van de Vrije Universiteit Amsterdam vier consumentenacties laten doorlichten.

Het zijn de Max Havelaar-koffiecampagne, die betere beloning van de kleine koffieboeren in de Derde Wereld beoogt, Stof tot Nadenken en de Schone Kleren Kampagne, beide gericht op hogere lonen en betere arbeidsomstandigheden in textiel- en kledingbedrijfjes in ontwikkelingslanden en Kappen met Kappen, een actie tot behoud van het tropisch regenwoud, vooral in het belang van de inheemse bevolking van die wouden.

De onderzoekers stellen vast dat de koffie-, textiel- en kledingacties tot het gestelde doel leiden zolang consumenten daaraan meewerken, maar voegen eraan toe dat invoering van dit actie-model op grote schaal niet wenselijk is omdat hogere beloning tot overproduktie zou kunnen leiden.

Bij de actie Kappen met Kappen liggen de zaken anders. Tachtig procent van het tropisch regenwoud gaat verloren ten behoeve van landbouw, terwijl maar twintig procent van de houtkap plaatsheeft vanwege de houtexport. De consument heeft op het gebruik van het tropisch hardhout maar in beperkte mate invloed en daarom zal het effect van een consumentenboycot gering zijn. Alleen overleg met de betreffende regeringen, eventueel ondersteund door sancties of financiële hulp, kan ertoe leiden dat de omzetting van bossen in cultuurgrond gestopt of vertraagd wordt.

De auteurs concluderen dat de door hen onderzochte consumentenacties voortkomen uit ongenoegen met de grote welvaartsverschillen tussen Noord en Zuid, zorg voor het milieu en verzet tegen de uitwassen van de consumptiemaatschappij.

Dezelfde informatiestroom die tot alternatief koopgedrag leidt, heeft als gevolg dat de publieke belangstelling voor ontwikkelingshulp afneemt. Toch heeft de ontwikkelingshulp die twintig jaar geleden aan Zuidoost-Azië gegeven werd, het mede mogelijk gemaakt dat deze landen nu tot de sterkst groeiende gebieden van de wereld behoren. De economieën van Afrika lijken veel op die van Zuidoost-Azië aan het eind van de jaren zestig. Als Afrika geen kansen krijgt z'n economie te verbeteren, komt er een ongebreidelde immigratie op gang. Om dat te verhinderen zijn grote inspanningen van wereldhandel en overheden nodig.

Industriële produktie in Derde-Wereldlanden dient gestimuleerd te worden en protectionistische maatregelen die de export vanuit de ontwikkelingslanden beperken, moeten worden opgeheven. Het gaat daarbij vooral om het Multi Vezel Akkoord en het landbouwbeleid van de EG.

Tegen deze achtergrond verdient het volgens de auteurs aanbeveling om de financiële inspanningen van de overheid ten behoeve van ontwikkelingslanden bij het publiek opnieuw te rechtvaardigen. Daarbij kan een relatie gelegd worden met de bij ons verkrijgbare produkten uit die landen. Overheid en bedrijfsleven zouden door een assertiever en agressiever optreden een breder publiek kunnen interesseren voor produkten uit Derde-Wereldlanden.