Verlies en winst door Oosterscheldedam; Ecologische gevolgen van stormvloedkering na 5 jaar onderzocht

KAMPERLAND, 17 DEC. Sinds koningin Beatrix ruim vijf jaar geleden - op zaterdag 4 oktober 1986 - de stormvloedkering in de Oosterschelde in gebruik stelde, heeft deze zee-arm zich in hoofdlijnen ontwikkeld zoals destijds werd verwacht. Dit blijkt uit een evaluerend onderzoek dat Rijkswaterstaat heeft verricht naar het functioneren van de stormvloedkering en de invloed van de pijlerdam op het achterliggende ecosysteem.

Tegelijk is er sprake van zowel mee- als tegenvallers. Ongunstig voor natuur en milieu is de vermindering van het oppervlak aan platen, slikken en schorren. Hierdoor kan de functie van de Oosterschelde als vogelgebied van internationaal belang - vooral voor steltlopers als scholekster, tureluur en grutto - onder druk komen te staan. In het ergste geval zal op een termijn van dertig jaar 15 procent van het plaat- en schorrengebied door afslag verdwijnen.

Daar staat tegenover dat tijverschil en zoutgehalte in de Oosterschelde groter blijken te zijn dan men in 1986 aannam, terwijl de waterkwaliteit aanmerkelijk is verbeterd. Dat laatste is vooral toe te schrijven aan de aanleg van de Philips- en Oesterdam, waardoor minder rivierwater, dat vaak ernstig vervuild is, in het estuarium terechtkomt.

De resultaten van de studie zijn neergelegd in een rapport onder de titel "Veilig getij', dat verleden week op een bijeenkomst in Middelburg is aangeboden aan de Zeeuwse gedeputeerde G. de Vries-Hommes, tevens voorzitter van de Stuurgroep Oosterschelde, waarin verschillende overheden samenwerken.

“Een steun in de rug is dat de Oosterschelde de status van natuurmonument op grond van de Natuurbeschermingswet heeft gekregen”, zegt drs. W. Iedema van de directie Zeeland. “In bepaalde delen mogen geen watersporters en andere recreanten meer komen en dat is voor de vogels maar goed ook, want ze hebben toch al zoveel moeite hun kostje op te scharrelen nu de mogelijkheid tot fourageren afneemt. Daarbij moet je ze niet in de weg lopen.”

Iedema is bioloog, net als drs. A. Smaal van de Dienst Getijdewateren. Beiden traden op als projectleider bij het onderzoek en zijn eenstemmig in hun oordeel dat er meer moet gebeuren om de natuur in het Oosterscheldebekken te behoeden. “Het beste zou zijn de zandhonger van de te ruime geulen te stillen, wat een verplaatsing van ten minste 300 miljoen kubieke meter zand vergt. Dat is echter een weinig reële optie vanwege de hoge kosten. Meer voor de hand ligt het sommige plaatsen tegen erosie te beschermen en daarvoor zijn proeven in voorbereiding.”

Daarbij stelt Smaal met voldoening vast dat de produktie van plantaardig plankton, de bron van dierlijk leven in de Oosterschelde, gelijk is gebleven doordat deze organismen zich aan de veranderde omstandigheden wisten aan te passen. Enerzijds is het water helderder geworden, wat de groei van plankton bevordert, anderzijds verminderde de aanvoer uit de rivieren van voedingsstoffen als fosfaten en nitraten.

Aan het onderzoek, vertellen Iedema en Smaal, lag onder meer de vraag ten grondslag of het beheer van de stormvloedkering uit een oogpunt van milieu of veiligheid moet worden bijgesteld. Nu blijkt dat het getij beter in de Oosterschelde doordringt dan men aanvankelijk verwachtte, wordt voorgesteld de schuiven in de dam te laten zakken als een waterpeil van meer dan drie meter boven NAP wordt verwacht. Die norm berust op een overstromingskans van de dijken van eens in de 4.000 jaar. Verhoging van het zogenoemde sluitpeil naar 3,25 meter boven NAP leidt volgens hen tot een verminderde veiligheid.

In de praktijk geldt al een sluitpeil van drie meter, wat betekent dat de schuiven tussen oktober 1986 en nu in totaal elf keer naar beneden gingen. Soms gebeurde dat verscheidene keren in één stormperiode, zoals eind februari vorig jaar, toen de schuiven vier keer hun werk deden.

Deze praktijk moet nog tot officieel beleid worden verheven en dat gebeurt pas nadat de Raad van de Waterstaat advies heeft uitgebracht. Daar gaat weer een uitgebreide inspraakprocedure aan vooraf. Nu al is duidelijk dat het waterschap Schouwen-Duiveland tevreden is met drie meter boven NAP, terwijl de Zeeuwse Milieufederatie de norm naar 3.25 meter wil optrekken.

De meningsverschillen op dit punt vormen een flauwe afspiegeling van het grote conflict dat zich in de vroege jaren zeventig afspeelde, toen het nog de bedoeling was de Oosterschelde potdicht af te sluiten, een ingreep waartegen milieubeweging en beroepsvisserij heftig in opstand kwamen. Om de sterk uiteenlopende standpunten te verzoenen werd onder het kabinet-Den Uyl een nieuwe oplossing gezocht en gevonden. Zo ontstond de pijlerdam als politiek compromis tussen de eisen van veiligheid en natuurbehoud.

En dat niet alleen. De stormvloedkering, sluitstuk van de Deltawerken, werd ook een technisch hoogstandje, door sommigen betiteld als het "achtste wereldwonder', in elk geval het grootste waterbouwproject aller tijden. Maar ook de kosten logen er niet om: aan de pijlerdam met bijkomende werken kwam een prijskaartje van bijna acht miljard gulden te hangen.

Over de buitensporige kosten is destijds veel te doen geweest. Voormalige ministers kregen het verwijt te horen dat ze de post "onvoorzien' bewust te laag hadden geraamd en het parlement onvoldoende hadden ingelicht over de extra bedragen die het gigantische werk meebracht. Een onderzoek door de Algemene Rekenkamer heeft dat in 1983 bevestigd. Maar toen was er geen weg meer terug. Het point of no return - het tijdstip waarop men zonder verder financieel verlies nog op een ander systeem had kunnen overschakelen - bleek al in 1979 gepasseerd.

“Zeeland is veilig”, sprak koningin Beatrix, toen ze eind 1986 de kering in gebruik stelde. Weer vijf jaar later heeft nog niets het tegendeel bewezen. En de natuur? Drs. Smaal van Rijkswaterstaat: “Met alle veranderingen, met alle plussen en minnen, is de Oosterschelde als belangrijk Europees natuurgebied behouden gebleven.”