v.d. Zwan: bestuur van universiteiten niet wijzigen

ROTTERDAM, 17 DEC. De huidige bestuurlijke organisatie van de universiteiten voldoet redelijk aan de eisen. Om de universiteiten zelfstandiger te laten opereren is maar een beperkt aantal wijzigingen nodig. Met name de relatie tussen de universitaire top - college van bestuur en universiteitsraad - en de faculteiten zou duidelijker moeten worden geregeld.

Dit staat in het advies dat een commissie onder leiding van de vroegere Vendex-topman prof.dr. A. van der Zwan vandaag aan minister Ritzen (onderwijs) uitbrengt. In haar rapport doet de commissie de aanbeveling om bestuur en beheer van een faculteit in één hand, die van de decaan, te brengen. Over een daarvoor noodzakelijke wetswijziging was enkele jaren geleden al overeenstemming bereikt tussen universiteiten en oud-minister Deetman.

De Commissie-Van der Zwan werd dit voorjaar ingesteld om te adviseren over de inrichting van zogeheten charters waarin de universiteiten een op de plaatselijke omstandigheden afgestemde bestuurlijke organisatie kunnen vastleggen. Tijdens drie conferenties die Ritzen vorig jaar organiseerde over de bestuursstructuur bleek dat een aantal universitaire bestuurders minder gebonden wilde zijn aan de gedetailleerde, in de wet vastgelegde, bestuurlijke organisatie. De universiteiten zouden de gelegenheid moeten krijgen zelf hun bestuursorganisatie in te richten. Die zou dan moeten worden vastgelegd in een door de minister goed te keuren charter.

In haar advies presenteert de commissie globale beschrijvingen van twee mogelijke bestuursorganisaties: een voor een universiteit die centraal wordt bestuurd en een voor een universiteit waarin de faculteiten verregaand autonoom zijn en als een federatie functioneert. In beide gevallen verandert de bestuurlijke verhouding tussen de besturen en (gekozen) raden niet wezenlijk.

De raden houden het begrotingsrecht, maar in de centraal bestuurde universiteit zou de universiteitsraad wel gekozen moeten worden door de faculteitsraden. In de "federatieve' universiteit zouden de decanen het college van bestuur moeten benoemen en krijgen de faculteiten de vrijheid om hun eigen strategie te bepalen. Ze stellen ook zelf hun begroting vast. De commissie weigert een voorkeur voor een van beide modellen uit te spreken. Zij wijst er alleen op dat de huidige voorkeur uitgaat naar decentraal bestuur over enige tijd zeker zal worden afgelost door een trend die in de richting van meer centraal georiënteerd bestuur gaat.

De commissie vindt het nodig om faculteit en vakgroep als zelfstandige kernen in de universitaire organisatie te verankeren in de wet, om de belangen van de de universiteit en die van de docenten en onderzoekers in balans te kunnen houden.