Sara lacht haar prachtige lach

Echte klassejustitie zal er wel niet bestaan in Nederland, maar zou er zoiets zijn als gezichtsjustitie? Dat je een mildere straf krijgt naarmate je er leuker, liever of aandoenlijker uitziet? Of misschien moeten we het wel gedragsjustitie noemen. Zou sociale vaardigheid veel helpen bij de rechter? Bewijsbaar is het nooit, maar soms kun je je niet aan die indruk onttrekken.

Neem de gevallen van Sara en Ahmed die, onafhankelijk van elkaar, in dezelfde week voor twee verschillende Haagse politierechters moeten terechtstaan voor steunfraude.

Sara heeft de Sociale Dienst van Den Haag gedurende twee jaar voor ruim twintig mille getild. Ze pleegde valsheid in geschrifte door op formulieren te vermelden dat ze geen inkomen had, hoewel ze werkte voor uitzendbureaus en zelfs voor het ministerie van binnenlandse zaken.

Sara is een 24-jarige Surinaamse vrouw en alleenstaande moeder van een zoon van acht. Ze heeft moeilijke, turbulente jaren achter de rug - veel ruzie met de schoonfamilie - maar die zijn haar niet aan te zien. Ze kan zó vriendelijk en goedlachs zitten praten, met zoveel onnadrukkelijke charme, dat je meteen blij bent dat jij haar niet hoeft te berechten. Haar advocaat, mr. F. Kremer, probeert haar vantevoren op de gang nog even vermanend toe te spreken, maar Sara lacht haar prachtige lach en onder de stoel van mr. Kremer vormt zich een plasje smeltwater.

Eenmaal voor de politierechter, mevrouw J. van der Scheer, blijkt Sara ook nog intelligent te zijn. Het kan niet op en alle aanwezigen zijn er blij mee. De afgelopen jaren deed ze overdag haar verzwegen werk en 's avonds voltooide ze een VWO-opleiding. Inmiddels heeft ze het eerste jaar van een beroepsopleiding achter de rug. “Dus de toekomst gloort”, zegt haar advocaat.

Vervelend blijft het van die twintig mille. Ze lost de schuld met vijftig gulden per maand af. “Dat gaat dus 36 jaar duren”, zegt mr. Kremer.

“Ik vind het heel goed dat u als moeder van een klein kind bent gaan werken”, zegt de rechter, “maar u wilde van twee walletjes eten. Het gekke is dat u werkte én een avondstudie volgde. Eigenlijk had u de Sociale Dienst helemaal niet nodig.”

“Het kwam door mijn situatie”, glimlacht Sara cryptisch.

Tegenwoordig leeft ze alleen van een uitkering, terwijl ze 's avonds studeert.

“U zou een vrijer bestaan hebben als u ging werken”, zegt de rechter.

“Ik wil wel hele dagen werken”, zegt Sara, “maar ik zit met de opvang van mijn kind.”

“Maar er is toch kinderopvang?”

“Het is een heel druk kind. Hij heeft ook een tik gekregen van de problemen met mij.”

De officier, mr. J. van Ek, doet zijn best zo bestraffend mogelijk te klinken, maar hij heeft er moeite mee. “Mevrouw is intelligent, dat merk ik aan haar manier van formuleren. Dat verontrust me tevens, want ze heeft deze stap wel erg snel gemaakt. Het blijft haar verantwoordelijkheid, al krab ik me wel achter de oren als ik hoor dat ze voor Binnenlandse Zaken heeft kunnen werken. Het is een ernstig strafbaar feit: stelen van de gemeenschap. Mevrouw erkent alles en dat siert haar. Ik eis acht weken gevangenisstraf waarvan vier weken voorwaardelijk. Ik zal me niet verzetten tegen dienstverlening in plaats van de vier onvoorwaardelijke weken.”

Daar kan de advocaat mee instemmen. “Er past inderdaad een sanctie, want ze moet beseffen dat dit niet kan, maar ik hoop wel op een voorwaardelijke straf in verband met de opvang van haar kind.”

En zo geschiedt het. De rechter conformeert zich aan de eis: vier weken voorwaardelijk en vier weken onvoorwaardelijk die in veertig uur dienstverlening worden omgezet; geen geldboete. “U lijkt me helemaal niet op zijn plaats in de gevangenis”, lacht ze Sara toe. En Sara lacht breed terug.

Tot zover Sara. Vergeleken met Ahmed, twee dagen eerder, komt ze er goed vanaf.

Ahmed verscheen in een lange, dichtgeknoopte regenjas en op verkeerde schoenen voor de rechter. Een 40-jarige Marokkaan die zich nog door een tolk moest laten bijstaan, ook al woonde hij al sinds 1974 in Nederland. In 1987 werd hij werkloos. In dat jaar kwamen zijn vrouw en zeven kinderen in het kader van de gezinshereniging naar Nederland. Het gezin moet leven van een uitkering van 1400 gulden per maand. Ahmed lichtte de Sociale Dienst op voor een bedrag van zeven mille, waarvan inmiddels vier mille is verjaard. Hij had zijn tijdelijke inkomsten als tuinarbeider - zes jaar geleden - niet gemeld.

De officier, mevrouw M. Schelfhout, eiste vier weken onvoorwaardelijk tegen hem. Ze zei niets over een eventuele dienstverlening. Er viel een stilte in de rechtszaal. Ahmeds tolk stamelde: “Meneer zegt, hij is toch eerlijk geweest, hij betaalt terug...” En zijn advocaat, mevrouw I. van den Brûle, balde een maximum aan ongeloof in haar vraag: “Hoor ik dat goed? Vier weken onvoorwaardelijk?”

“Ja”, zei de officier streng.

Daar had de advocaat wel van terug. Ze hield de officier voor dat de periode van de steunfraude in de tenlastelegging slechts vier weken bedroeg. “En volgens de richtlijnen van het openbaar ministerie is er dan geen strafrechtelijke sanctie gewettigd.” Ze stelde daarom voor Ahmed bij schuldigverklaring geen straf op te leggen, hooguit een voorwaardelijke geldboete.

Maar het vonnis van de rechter, mr. J. van Overbeek, luidde: zes weken voorwaardelijk en een geldboete van 1200 gulden.

“Mag ik u vragen naar uw motivering?” vroeg de advocaat. “Waarom wijkt u van de richtlijnen af?”

“Ik vind dit nu eenmaal zo”, sprak de rechter, toch al niet een van de mededeelzaamste naturen. “De richtlijnen zijn er voor de officier.” Daar had hij gelijk in, maar een béétje motivering zou in dit geval geen kwaad hebben gekund.

Aan Ahmed leek het allemaal enigszins voorbij te gaan. Op de gang moest de advocaat hem uitleggen dat hoger beroep te overwegen viel.

Om redenen van privacy zijn de namen van de betrokkenen gefingeerd of weggelaten, uitgezonderd de namen van de officier van justitie, de rechter en de advocaat.