”Noord-Afrika lijdt collectief aan intellectuele ontbinding'; Klassiek en standaard- Arabisch worden door niemand in Noord-Afrika gesproken; het zijn ”dode talen' die alleen op school worden geleerd; Uitgerekend op het moment dat de cultuur mo

“Als we cultuur en beschaving definiëren als een wijdgetakt maatschappelijk netwerk van met elkaar in wisselwerking staande systemen, dan valt het iedereen op dat ons netwerk zo onvolledig ontwikkeld is. Hele artistieke of intellectuele sectoren zijn bij ons niet of slechts rudimentair aanwezig. Er is daarnaast bijna geen wisselwerking, geen communicatie tussen het ene punt van ons culturele netwerk en het andere (...). Er bestaat bij ons praktisch geen relatie tussen de volkscultuur en die van de elite. Beide culturen draaien elkaar in letterlijke zin des woords de rug toe. Zij ontkennen elkaar: zij spreken niet dezelfde taal.”

Deze klacht is niet zo maar een uitbarsting van een geboren cultuurpessimist. Het is ook geen aangepaste versie van Huizinga's uitspraak over de motoren die nog draaien, terwijl de geest reeds lang is geweken. Het is het weloverwogen oordeel van een van Noordafrika's meest vooraanstaande intellectuelen, de Tunesiër Aziz Krichen en stond enige tijd geleden te lezen op de voorpagina van de Tunesische overheidskrant La Presse. Dat dagblad blinkt meestal uit in het stelselmatig vermijden van omstreden onderwerpen; dat iemand als Krichen desondanks zo'n frontale aanval kon doen op het intellectuele klimaat in de Arabische regio, zegt dus al heel wat over de algehele, al jarenlang heersende culturele malaise in de Arabische regio.

Volgens Krichen wordt de situatie almaar erger. “Onze regio is collectief ten prooi aan intellectuele ontbinding en vervreemding. Er heerst het gevoel dat wij geruisloos bezig zijn onherroepelijk weg te zakken in middelmatigheid en intellectuele armoede”. “Laat ik het aldus samenvatten”, zegt hij, “we hebben een aantal capabele intellectuelen en een aantal capabele kunstenaars. We hebben echter geen samenhangende intelligentsia. Onze intellectuelen zijn eenlingen. Politici kunnen dat gemis niet opvangen, zelfs niet als zij, in een poging hun eigen intellectuele zwakheid te maskeren, zich uitroepen tot Gods schaduw op aarde. Als de cultuur uiteenvalt, dan spat alles uit elkaar. In die hellenistische fase zijn we beland.”

Het Tunesische blad La Presse is niet de enige Arabische krant die op dit moment ruimte geeft aan zulke bespiegelingen. Ook de Egyptische, Libanese en Algerijnse pers staat vol ongezouten kritiek op het Arabische intellectuele wel en wee. Het komt door de Golfcrisis die, evenals in 1967 na de verpletterende nederlaag tegen Israel, tot massaal Arabisch zelfonderzoek heeft geleid. In 1967 resulteerde het in een algemene herwaardering van het traditionele islamitische, religieuze cultuurgoed en felle kritiek op de import van Westerse normen en ideeën. Dit keer wordt in de discussie echter vooral fundamentele kritiek gehoord op juist dat Arabisch-islamitische cultuurgoed. Miljoenen inwoners van de Arabische wereld vragen zich nu in alle openheid af waarom de moderne Arabische cultuur in veel, zo niet in bijna alle opzichten op een dood spoor is geraakt.

Het antwoord van de islamitische fundamentalisten daarop ligt voor de hand: de moslims hebben Gods wetten vaarwel gezegd en moeten daar nu voor boeten. Maar aan Arabische ”seculiere' kant - men vergeet in Europa vaak dat die stroming in de Arabische regio veel krachtiger is dan het fundamentalisme - zijn de antwoorden verrassend genuanceerd. Het lijkt er zelfs soms op dat uitgerekend op het moment dat het culturele klimaat morsdood is, zich een nieuwe intellectuele lente aankondigt die verrassende perspectieven zou kunnen bieden.

Zo stellen Algerijnse intellectuelen in hun kranten openlijk de grondslagen van de islamitische maatschappij aan de orde en kan men in het Egyptische dagblad, Al-Ahram artikelen en brieven over godsdienst en de islamitsche geschiedenis lezen die twee jaar geleden nog onmogelijk waren. Een van de opmerkelijkste facetten van het debat, althans in Noord-Afrika is het in volle hevigheid oplaaien van de aloude discussie over de positie van het gesproken versus het geschreven Arabisch.

Het diskrediet, waar de dood geachte Arabisch-islamitische cultuur bij velen onder lijdt, vindt zijn weerslag in een herwaardering van de gesproken ”levende' volkstalen. Het is geen toeval dat de discussies over inhoud en wezen van de Arabisch-islamitische cultuur in Noord-Afrika gepaard gaan met allerlei taalactivisten van de kant van de Marokkaanse en Algerijnse Berbers. In Marokko dringen Berberse organisaties bij de regering aan op radio-uitzendingen in hun eigen taal en in Algerije willen Berberssprekenden hun taal officieel als voertaal erkend zien en daarnaast het Frans als werktaal behouden. Het meest saillante voorbeeld biedt de Tunesische staatstelevisie. Die maakte onlangs bekend volgend jaar een televisieserie van eigen bodem in Tunesisch dialect te zullen uitzenden, want “onze Tunesische volkstaal is zeker zo rijk en veelvormig als de Egyptische volkstaal en er is geen enkele reden waarom wij wel Egyptische televisieseries in het gesproken Egyptisch zouden uitzenden en geen series in het gesproken Tunesisch”. Vorig jaar zou zo'n pleidooi nog een ongehoorde ketterij zijn geweest even goed als het toen onvoorstelbaar was dat duizenden studenten op de universiteit van Algiers een demonstratie houden voor het handhaven van het Frans als studietaal op een aantal faculteiten. En idem dito zou het een paar jaar geleden onmogelijk zijn geweest dat Berberse obers in sommige Algerijnse restaurants tegen Europese klanten Arabisch weigeren te spreken “omdat dat voor u net zo'n vreemde taal is als voor ons en we tegen buitenlanders daarom liever in het Frans praten”.

De controverse tussen de officiële taal en de volkstaal dateert in de Arabische landen niet van vandaag of gisteren. Het debat is evenmin specifiek Arabisch. In het recente verleden hebben bij voorbeeld in Europa Noorwegen en Griekenland een dergelijk debat doorgemaakt, resulterend in een overwinning van de volkstaal. Maar in de Arabische wereld maakt zo'n debat politieke en religieuze emoties los omdat daardoor een belangrijk religieus en politiek taboe wordt aangesneden. Het klassiek Arabisch, waarvan het huidige standaard-literaire Arabisch dat einde vorige eeuw door Libanese en Syrische christenen werd ontwikkeld, de vereenvoudigde versie is, is de taal van de Koran en geldt daarom als de taal van God zelf. De Arabieren zijn vanouds buitengewoon trots op dat klassiek Arabisch. Zij beschouwen het als de rijkste en meest uitdrukkingsvolle taal die er bestaat: het klassiek Arabisch beschikt over een enorm prestige, een beetje te vergelijken met dat van het Latijn in Europa tot in de negentiende eeuw toe.

Daarnaast wordt in de Arabische politiek het moderne standaard-literair Arabisch (MSA) als het bindmiddel bij uitstek gezien van de zo heftig verdeelde Arabische wereld. Wie in Arabische landen de geschreven standaard-taal ter discussie stelt, begeeft zich op glad en gevaarlijk ijs. Nergens echter worden het klassiek Arabisch of het MSA als moedertaal gesproken. Het zijn ”dode talen', die men op school leert. In de straten van Bagdad, Kairo of Tunis spreekt men de volkstaal. In navolging van prof. Cees Versteeg uit Nijmegen zou je kunnen zeggen: het klassiek Arabisch is het klassiek Latijn; het moderne standaard-Arabisch is het vereenvoudigde Middeleeuwse Latijn en de Arabische volkstalen verhouden zich tot elkaar en tot het klassiek Arabisch als het Italiaans, Spaans en Portugees zich tot elkaar en het Latijn verhouden.

Hoe gevoelig het onderwerp volkstaal in het wat dat betreft altijd wat gemakkelijker denkende Egypte ligt, merkte de NOVIB toen zij enige jaren geleden de Egyptische schrijver-journalist Raouf Mossaad subsidie gaf om een kinderboek in het gesproken Egyptisch te publiceren. In het linkse intellectuele wereldje van Kairo brak een storm los. Daar achtte men het plan een complot om de Arabische eenheid te ondermijnen. Die discussie, gevoerd op de redactielokalen van het linkse progressieve weekblad Al-Ahali, vond overigens wel plaats in het gewone, gesproken Kaireens. Het wijzen op die innerlijk tegenstrijdigheid verzuurde de discussie aanzienlijk en het boek is er nooit gekomen.

Veel Noordafrikaanse intellectuelen stellen op dit moment onomwonden dat de culturele armoede en de intellectuele onderontwikkeling van Noordafrika aan het taalprobleem te wijten is. Taalkundig leven de Noordafrikanen in drie, sommigen zelfs in vier werelden. In de eerste plaats zijn er de gesproken Arabische volkstalen, in de tweede plaats is er het geschreven MSA en verder zijn er het Frans dat in Marokko voor velen en in Tunesië voor bijna iedereen de tweede taal vormt en voor nogal wat Algerijnen zelfs de eerste. Daarnaast spreekt bijna meer dan de helft van de Marokkanen van huis uit een of ander Berberdialect en in Algerije misschien wel een vijfde van de bevolking. Al die talen drukken een verschillende cultuur uit en refereren aan waarden, die elkaar nogal eens tegenspreken. In Noord-Afrika ziet men het Frans als de taal die de Noordafrikanen kennis doet maken met de moderne wereld van de techniek, precies zoals dat in Egypte met het Engels het geval is. Wie kan echter serieus menen, aldus dr. Krichen dat de modernisering van een samenleving mogelijk is via een taal die in alle opzichten een vreemde taal is en blijft. “Dat wil niet zeggen dat Noordafrikanen geen vreemde talen moeten leren. Maar het massaal gebruik van een vreemde taal in het onderlinge sociale en culturele verkeer vormt uiteraard een belemmering voor de culturele homogeniteit, die onmisbaar voor verdere culturele ontplooiing. In feite is de modernisering van de Tunesische, Algerijnse of Marokkaanse samenleving niet mogelijk zonder gebruik te maken van de nationale taal”, aldus dr. Krichen die eraan toevoegt dat “die taal uiteen valt in twee ver van elkaar verwijderde takken, het geschreven standaard-literair en de gesproken volkstaal, het ”dialect'. Eenwording van onze cultuur is alleen mogelijk via het onderdrukken van die feitelijke tweetaligheid in het Arabisch. Maar: hoe moet dat gebeuren? Zullen die twee takken van het Arabisch op den duur samenvloeien? Wie gelooft daar nog redelijkerwijs in?

Volgens Krichen doen Arabische taalhervormers al meer dan honderd jaar pogingen om een ”geleerdentaal' die door honderden jaren van stagnatie en verval een fossiel is geworden, nieuw leven in te blazen. “De tastbare resultaten zien wij op onze scholen in Algerije, in Egypte en hier in Tunesië. Leerlingen, die na de lagere school het onderwijs verlaten, en dat is veruit de meerderheid, kunnen na drie of vier jaar het ”literair Arabisch' nauwelijks meer lezen, laat staan schrijven. In onze landen is het onderwijs de belangrijkste fabriek van analfabetisme geworden: de school is de voornaamste producent van analfabeten. Hoeveel langer willen wij nog doorgaan met dit moorddadige systeem? Moeten wij niet eindelijk lering trekken uit dit gigantische bankroet en nadenken over ons taalprobleem, niet tegen de loop van de geschiedenis in, maar uitgaande van de bestaande situatie, niet te denken van boven naar beneden, maar eindelijk van beneden naar boven? Om de wereld te trotseren ziet onze samenleving slechts heil in het zich vastklampen aan iets dat anders is dan zij zelf, of dat nu het verleden vormt of het buitenland. Wanneer ontdekt zij dat erkenning van de hedendaagse werkelijkheid de enige weg is die voor haar open staat?”

Een betere analyse van de oorzaken van de sociale en culturele vervreemding, die een zo opvallend kenmerk van Noord-Afrika is, is nauwelijks te geven. Een betere analyse van de culturele omgeving, waarin een deel van de jeugd haar heil zoekt in het islamitisch fundamentalisme evenmin. Vandaar het grote belang van de discussie, die in ieder geval aangeeft dat de Arabische wereld intellectueel gezien nog niet zo morsdood als haar eigen intellectuelen denken.