”Germania inferior' als Nederlands schrikbeeld

Net als een geloofsovertuiging vraagt identiteitsbesef om aandacht en bescherming. Ouderen weten dat uit de bezettingstijd en voelen kriebels als VVD-fractievoorzitter Bolkestein voorspelt dat Nederland zoiets wordt als de deelstaat Hessen.Een soort ”Germania inferior'. Maar volgens Walter Goddijn hoeft Nederland zich geen zorgen te maken over een gebrek aan cultureel zelfbewustzijn. De Nederlandse identiteit is sympathiek genoeg om te worden verdedigd.

Het is om van te schrikken. Vlak voor de komst van de Europese leiders naar Maastricht zei directeur Van der Staay van het Sociaal Cultureel Planbureau, dat debatten over culturele identiteit de deur kunnen open zetten voor “een ideologie van Blut und Boden”. Vervolgens zei hij tijdens een discussie in het Amsterdamse Felix Meritis dat het Ministerie van VROM de bescherming van het damhert wil opheffen, “omdat het geen inheemse diersoort is, maar een exoot”. Import dus. En dat terwijl de bekende historicus L. Rogier eens gezegd heeft “dat ons volk zijn eigen geestesmerk goeddeels verkregen heeft door een gestadig zich toeëigenen van wat elders was voortgebracht”. Moet dat ook allemaal terug?

In een uitzending van Het Capitool zag ik een heel gezelschap met onder anderen de onvermijdelijke Maarten Mourik, oud-ambassadeur voor Culturele Zaken, zich bijna verslikken onder de nogal voor de hand liggende vraag van Maartje van Weegen wat haar gesprekspartners onder culturele identiteit verstonden. Er werd gestameld dat het iets anders was dan cultuur. Taal alleen was het ook niet, want dan zouden Zwitsers, met hun vier talen geen identiteit hebben. Normen en waarden, maar dan immateriële waarden, enzovoorts.

Culturele identiteit heeft te maken met onze historische ontwikkeling als volk, met afhankelijkheid en zelfstandigheid als relatieve en op elkaar betrokken deelverlangens. Net als een geloofsovertuiging of een humanitaire opvatting vraagt identiteitsbesef om aandacht, zorg, bescherming en trouw. Men gaat naar gelang de omstandigheden teder of hartstochtelijk met de groepsidentiteit om. Ouderen weten dat uit de bezettingstijd en voelen kriebels als de fractievoorzitter van de VVD, Bolkestein, voorspelt, dat Nederland net zoiets wordt als de deelstaat Hessen. Dan vind ik de uitdrukking ”Nederland wordt het Friesland van Europa' heel wat sympathieker, zeker als ik de enorme inzet en deskundigheid zie, waarmee de Fryske Akademy voor de culturele identiteit van de Friezen vecht.

Dit kan allemaal ritueel worden uitgedrukt, waardoor het groepsbesef wordt versterkt. Het gebaar van koningin Beatrix om haar beeltenis op de munt terwille van de economische eenheid af te staan, heeft alles met ritueel en culturele identiteit te maken. Ontwikkelingspsychologen en sociologen weten dat het allemaal veel ingewikkelder is en zoeken abstracte termen. Het gaat erom, dat Nederlanders weten ”wat zij aan elkaar hebben', dat zij ”elkaars taal spreken', dat zij in opstand komen als hun cultuurgoed wordt aangetast. Komen deze aanvallen of vermeende aanvallen van buiten, dan kan er verborgen vijandigheid en verachting optreden. Dan gaat men de ander niet meer als persoon zien, maar als een exponent van een groep, met heel speciale kenmerken. Dat zal allemaal wel ter sprake komen, wanneer de zogenaamde maatschappelijke discussie over ”minderheden' in ons land serieus wordt gevoerd.

Van der Staay van het Sociaal Cultureel Planbureau waarschuwt in dit verband terecht voor overdreven nationalisme dat vooral optreedt, wanneer men zichzelf en zijn eigen groep in het middelpunt van de wereld ziet, als een soort ”me-first-group', naar een uitdrukking van Stuart Chase. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik weinig gesteld ben op ontmoetingen in openbare gelegenheden met Nederlanders in het buitenland, die heel uitdrukkelijk een ”hoog cultureel zelfbewustzijn' aan de dag leggen.

In zijn boek Ach Europa toonde Hans Magnus Enzensberger al een paar jaar geleden aan, welke rampen vooral kleine landen kunnen overkomen. De soevereiniteit zal verder worden ingeperkt, de samenlevingen verliezen het geloof in de regeerbaarheid van hun land. In plaats van planning zijn er steeds ad-hoc oplossingen als er weer eens een miljard tekort is. Er is een crisis in het werk en een enorme groei van het parasitisme. Ten slotte wordt het idee van solidariteit een pure frase. Gelukkig heeft de Europese Gemeenschap een gebaar gemaakt om de economisch minder ontwikkelde landen in Zuid-Europa te steunen.

Ernest Zahn is één van de weinige Nederlandse auteurs die geprobeerd heeft om aan buitenlanders en in het bijzonder onze Duitse buren enig besef bij te brengen voor de Nederlandse cultuur. Volgens hem wordt ons volk gekenmerkt door Erasmiaanse deugden - terug te voeren op de zeventiende eeuwse patriciërscultuur van “zachtzinnigheid, gematigdheid, welwillendheid en het streven naar kennis en ontwikkeling”. Hij citeert Immanuel Kant: “De Nederlander heeft een ordelijke en vlijtige inborst en doordat hij enkel en alleen op het nuttige bedacht is, heeft hij weinig gevoel voor zaken, die voor fijn besnaarder geesten schoon of verheven zijn'. Andere buitenstaanders zoals Hertog de Baena, geruime tijd Spaans ambassadeur in Den Haag, weten hoe ingewikkeld de culturele identiteit van de Nederlander is. In zijn boek The Dutch Puzzle constateert hij een “onontwarbare kluwen van tegenstrijdige elementen” en schrijft dan: “Ik persoonlijk houd de volgende verklaring voor mogelijk: ge zijt een nature vreedzaam volk van burgerlijke realisten met een neiging tot gierigheid, werken en gemakzucht, maar de geschiedenis van Uw natie heeft U gedwongen tot vechten, heeft U genoodzaakt U niet alleen te weer te stellen tegen vijandelijke invallen en de overmacht van het buitenland, maar ook tegen de krachten der natuur, met name de eeuwig dreigende Noordzee, en om het beeld af te ronden is daar Uw voortdurende worsteling met de calvinistische reformatie”.

Er is ook recentere informatie. Een Nijmeegs onderzoek had op grond van literatuurstudie als hypothese voor typisch Nederlandse kenmerken: tolerantie, moralisme (vroomheid), utilitarisme, efficiëntie en ijver, zachtzinnigheid; egoïsme en een gebrek aan emotie; sympathie en gevoel voor anderen. Na het onderzoek werden correcties aangebracht. Alle buitenlandse waarnemers zagen Nederlanders als behulpzaam, vriendelijk en ambitieus (de hoogste score van alle landen), wetenschappelijk en efficiënt, emotioneel (hoogste score), onafhankelijk en eerlijk.

Je zult zo'n biechtspiegel maar voor je neus krijgen. Maar er is nog meer. Er werd ook gevraagd: voor welk land heb je de minste of de meeste sympathie. Als diepere motivatie om handelsbetrekkingen aan te gaan is sympathie voor een bepaald volk natuurlijk erg belangrijk. Het minst sympathiek voor de Engelsen en de Denen is het Franse volk, voor de Belgen hun Nederlandse buren, voor de Nederlanders het Duitse en voor de Fransen het Engelse volk. En het is bijna niet te geloven, aan de top van de sympathieschaal staan België en Nederland. Beide landen krijgen van externe waarnemers de meeste sympathie (L. Hagendoorn en H. Linssen).

Misschien is het sympathieke optreden van onze koningin, van Lubbers, Van den Broek, Kok en Dankert in Maastricht wel onze belangrijkse bijdrage geweest.