Portret

Koningin Beatrix heeft in Maastricht verklaard dat ze haar portret op de gulden graag wil offeren voor de toekomstige ecu.

Rijksmuntmeester van Draanen noemt die verklaring revolutionair omdat ze de vormgeving van de toekomstige Europese munt zou vergemakkelijken (NRC Handelsblad 10 december). De beeldenaar zou echter helemaal geen moeilijkheden hoeven op te leveren wanneer men het voorbeeld van het Duitse Keizerrijk (1871-1918) zou volgen. Deze federale staat onder Pruisische hegemonie was formeel een bond van soevereine staten, 22 monarchieën en 3 republieken (Hamburg, Lübeck en Bremen). De munteenheid was de mark en op de munten van 1 mark en kleiner stond op de voorkant de waarde-aanduiding en op de keerzijde de rijksadelaar. Op de hogere denominaties (2, 3, 5, 10 en 20 mark) stonden adelaar en waarde op de keerzijde, terwijl op de voorzijde portret en titel van één van de regerende vorsten of wapen en naam van één van de vrije steden was afgebeeld.

De aantallen die van deze munten werden geslagen, werden telkens vastgesteld in verhouding tot de omvang van de respectieve deelstaten. Verreweg de meeste droegen dan ook het portret van de "Deutscher Kaiser, König von Preussen'. Ook de koning van Beieren kon men wel eens in zijn portemonnee aantreffen. Munten met kleine vorstjes als die van Lippe of Waldeck werden daarentegen slechts zelden geslagen en dan nog in kleine aantallen. Deze munten met al hun verschillende beeldenaren, vorsten en republikeinse wapens, waren overal in het Rijk geldig.

Zou hier niet de oplossing te vinden zijn voor het probleem van de beeldenaar voor de ecu? Beatrix op het Nederlands contingent ecu's, Elizabeth II op de Britse, Marianne op de Franse en de adelaar op de Duitse, maar op de keerzijde overal hetzelfde Europese embleem met waarde-aanduiding en alle in heel Europa geldig. De koningen en koninginnen hoeven dan hun hoofd niet te offeren!