Museum eert 70-jarige schrijver; Verrassingen op expositie over W.F. Hermans

Tentoonstelling: Hermans is hier geweest. T-m 23 feb. Letterkundig Museum, Prinses Irenepad 10, Den Haag. Di t-m za 10-17u, zo 13-17u. Collageboek Het Hoedenparadijs ƒ 75.

Het enige bezwaar dat tegen de omvangrijke en overzichtelijke tentoonstelling "Hermans is hier geweest' in het Letterkundig Museum kan worden ingebracht, is dat de expositie iets weg heeft van een begrafenis. Door de op eerbiedige toon gestelde bijschriften, de geschilderde portretten van E.J. van Straten en Alphons Freymuth en het borstbeeld van Sylvia Willink-Quiël lijkt het wel of de schrijver zijn carrière inmiddels heeft beëindigd. Het wordt de bezoeker dan ook vlug genoeg duidelijk waarom Hermans aan deze tentoonstelling weliswaar zijn medewerking heeft verleend, maar het museum ook niet heeft aangemoedigd.

Want dood en weggeraakt, om de titel van een recent gepubliceerd verhaal van Hermans te noemen, is de zeventigjarige schrijver allerminst. Hermans publiceert regelmatig en is bovendien onlangs verhuisd van Parijs naar Brussel, een gebeurtenis waaraan volgens sommigen zelfs een diepere, literaire betekenis moet worden toegekend. Hella Haasse merkte tijdens de opening van de tentoonstelling althans op dat ook de door Hermans bewonderde dichter Baudelaire, in 1864, van Parijs naar Brussel was verhuisd, omdat hij daar een nieuw publiek hoopte te vinden. De vraag is nu of Hermans zich inderdaad door Baudelaire's voorbeeld heeft laten inspireren en of hij, net als Baudelaire, binnenkort zal beginnen een boek over de Belgen te schrijven.

Het zou verkeerd zijn om van een tentoonstelling over schrijvers te verwachten dat zij bol staat van verbluffende visuele effecten. In de vitrines liggen gecorrigeerde drukproeven, eerste drukken en vertalingen in het Zweeds, Noors, Fins, Frans, Duits en Engels; aan de wand hangen foto's, spotprenten en krante-artikelen; en op glazen platen zijn enkele uitspraken van Hermans aangebracht. Maar wat de tentoonstelling onderscheidt van soortgelijke evenementen is de presentatie van tekeningen en aquarellen van Constantin Guys (1802-1892), de in Parijs wonende Nederlandse kunstenaar die zo'n belangrijke rol speelt in de roman Au pair. Guys portretteerde in zijn werk, dat voor deze tentoonstelling werd uitgeleend door het Musée Carnavalet, het Parijse uitgaansleven en legde daarbij een voorkeur aan de dag voor vrouwen in elegante, soms pikante poses. Ook zijn op de tentoonstelling foto-collages te zien die Hermans in 1963-1986 maakte. Op de kleurrijke platen zijn vrouwen afgebeeld met vissehoofden of hoofden voorzien van een kippepoot, en soms ook mannen, onder wie K.L. Poll; boven een in feestelijk zwart geklede heer op een schilderij van Modigliani staat de tekst: K.l. Poll prepareert zijn Huizinga-lezing.

Zo nu en dan stuit de bezoeker op een verrassing. Zo zag ik voor het eerst een overdruk van "De uitvinder', het verhaal waarmee Hermans in 1940 debuteerde in het Algemeen Handelsblad. Enkele passages werden tot ongenoegen van Hermans door wat hij omschrijft als de krantemannen gewijzigd, en het verhaal kreeg ook een andere titel: "En toch.... was de machine goed'. Het verhaal begint zo: “Gustaaf werd bij ons op school niet als gelijkwaardig beschouwd. Wij dachten dat hij minder was dan wij, maar in werkelijkheid was hij meer.”

Op de tentoonstelling komt ook Hermans' verhouding met zijn katholieke lezers aan de orde. Te zien is een recensiekaartje van de Informatie-Dienst Inzake Lectuur (IDIL) uit Tilburg over de verhalenbundel Een landingspoging op Newfoundland uit 1957. Merk op welke overweldigende indruk dit boek op de recensent heeft gemaakt: “De bundel vertoont een opmerkelijke progressie naar de laagte: steeds meer somnambulant worden deze verhalen; steeds meer stekeduister; steeds meer suggestief. En, parallel daarmee: steeds lager van instinct, steeds meer insinuerend, met een steeds bedenkelijker pointe tegen het katholieke geloof (deze pointe is slechts schijnbaar onbelangrijk). De eindindruk kan tot zo'n allesverwoestend pessimisme leiden, dat lectuur van deze nachtzwarte vertellingen beslist moet worden ontraden.” Een andere IDIL-recensie omschrijft in 1950 de roman De tranen der acacia's als volgt: “Het leven is niet anders dan een walgelijke, zinloze zwendel. Dit is de grondtoon van dit pornografische, immorele en goddeloze boek, combinatie van Zola en Sartre. (-) Een roman van ontluistering van iedere menselijke waarde, zonder een sprankje hoop. Een kwelling om te lezen!”

Een beetje onthullend is verder de enquête waaraan Hermans ooit meedeed voor het programmablad Studio van de KRO. Als het toppunt van ellende noemt Hermans iets vergeten of verliezen; zijn voornaamste karaktertrek is fanatisme, gemengd met goedhartigheid; de door hem het meeste bewonderde militaire gebeurtenis is Van Speyk ("Dan liever de lucht in'); zijn voornaamste fout is nervositeit en zijn devies (van Flaubert) luidt: Laten we leven als burgers, maar denken als halfgoden.

Interessant is tot slot een brief uit 1964 aan de dichter Jan Hanlo over Hermans' opstel "Wittgenstein's levensvorm'. Hermans maakt in de brief melding van de Poolse emigrant van wie hij in 1949 voor het eerst de naam Wittgenstein hoorde en hij schrijft verder: “Mijn opstel heeft meer te maken met zijn wereldbeschouwelijke uitspraken, die mij fascineren omdat ik mij al jaren afvraag welke functie de kunst en de literatuur hebben in een samenleving die in zo hoge mate door de logische wetenschappen worden beheerst; in hoeverre er een vreedzame coëxistentie mogelijk is tussen sense en nonsense, enz. Kunnen wij doorgaan romans en gedichten te schrijven, wat ook al in de Oudheid en de Middeleeuwen gedaan werd, toen de mensen, in tegenstelling tot nu, bijna niets met zekerheid wisten? Dat was, en is dus voor mij een vraag.”