Met Duitsland...

DIPLOMATIE EN politiek kunnen met elkaar in botsing komen. Aan die mogelijkheid wordt in de diplomatie wel eens te weinig aandacht besteed. Zie het compromis van de Europese Gemeenschap in de zaak van de erkenning van Kroatië en Slovenië, een op tijdwinst gericht produkt van diplomatieke huisvlijt, maar politiek een armoedig en riskant resultaat. De Bondsrepubliek heeft beide republieken vandaag bij monde van kanselier Kohl als soevereine staten erkend, maar aan die erkenning zal pas op 15 januari uitvoering worden gegeven.

Dan moet de Gemeenschap, in feite de andere elf lidstaten, haar studie hebben afgerond naar de voorwaarden waaronder eventuele gemeenschappelijke erkenning kan plaatshebben. Óf de EG weet eindelijk eenheid te bereiken in haar houding tegenover de veranderingen in het vroegere Joegoslavië, óf de bestaande scheuren lopen uit in een fundamentele breuk die niet gauw meer zal worden geheeld.

Op het eerste gezicht is het ieders goed recht er een eigen mening op na te houden. Bij het mechanisme van de Europese eenwording wordt immers niet uitgegaan van eensgezindheid a priori, maar van een gedachtenwisseling op niveau waaruit zo mogelijk eenheid ontstaat. Dat de Duitsers er in de zes maanden sinds de gewapende actie van het federale leger in Slovenië niet in zijn geslaagd zelfs maar een meerderheid van de partners aan hun kant te krijgen, behoeft op zichzelf niet tot een voorkeur voor het ene of het andere standpunt te leiden. Hier is sprake (of althans sprake geweest) van een wezenlijk andere beoordeling van de crisis waarmee Europa wordt geconfronteerd. Maar de uitweg die nu is gekozen heeft de schijn van opportunisme tegen zich. Spelen er inmiddels overwegingen van prestige een rol, een begin van erkenning bij Bonns partners dat er beter ten halve kan worden gekeerd dan ten hele gedwaald, maar dat het eigen gezicht zoveel mogelijk moet worden gered?

HOE DAN OOK, het zo lang mogelijk vasthouden aan de federale fictie en daarmee verbonden aan de steriele en hypocriete Haagse vredesconferentie heeft veel te maken gehad met de aanmatigende houding tegenover de Bondsrepubliek. Zonder aandacht te schenken aan de bijzondere Duitse positie als "frontlijnstaat' - welk EG-land bijvoorbeeld mag dienen als land van eerste opvang voor Joegoslavische vluchtelingen? - heeft de meerderheid in de EG herhaaldelijk en nonchalant de Duitse diagnoses en daarop stoelende verlangens terzijde gelegd.

De Europese afkeer van Duitse prioriteiten begint langzamerhand symptomatisch te worden. Na de angsthazerij over de Duitse hereniging, het gemopper over de Poolse westgrens, de krenterigheid tegenover Oost-Europa in het algemeen en de daarom ongeloofwaardige waarschuwing voor Duits hegemonisme in datzelfde gebied kan de houding van de partners niet meer als politiek-neutraal worden gekarakteriseerd. De Duitse politiek staat van links tot rechts achter de erkenning van Kroatië en Slovenië. Voor een gezelschap als de Elf dat zoveel belang zegt te hechten aan Duitse verankering in Europa had dit feit moeten worden meegewogen. Duitslands partners hebben aan een belangrijke intern-Europese dimensie van het Joegoslavische conflict geen of onvoldoende aandacht geschonken. Het Nederlandse voorzitterschap mag zich dat zelf aanrekenen.

...snel erkennen

ERKENNING VAN nieuwe staten wordt er niet eenvoudiger op. Het aloude criterium van grondgebied, bevolking en effectief bestuur wordt steeds verder aangevuld met allerhande politieke en ethische zaken. De waslijst van criteria die de Amerikaanse regering heeft aangelegd voor eventuele erkenning van de nieuwe republieken in de voormalige Sovjet-Unie, is indrukwekkend genoeg. De EG bereidt nu een vergelijkbare toets voor die kan worden toegepast op de republieken van het voormalige Joegoslavië.

Die ontwikkeling is een gevolg van de steeds beperktere betekenis die aan het begrip soevereiniteit wordt toegekend. Ingevolge het Handvest en latere resoluties van de Verenigde Naties, van de afspraken binnen de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) en van de verdragen tussen Oost en West over wederzijdse wapenreducties hebben de verdragsluitende partijen reeksen van verplichtingen op zich genomen die hun soevereine handelen aan banden leggen. Het is daarom heel goed verdedigbaar dat wanneer partijen zich opsplitsen in nieuwe staten van deze staten wordt geëist dat zij de door hun "voorganger' aangegane verplichtingen nakomen.

TOCH KAN deze aanpak in de praktijk tot bizarre gevolgen leiden. Zo zal waarschijnlijk de erkenning van Kroatië afhankelijk worden gemaakt van een toezegging dat deze republiek zijn minderheden zal respecteren - een punt dat ook steeds op de agenda van de Haagse vredesconferentie over Joegoslavië heeft gestaan, maar dan voor algemeen gebruik. Op zichzelf is op humane gronden tegen een dergelijke voorwaarde niets in te brengen, maar gesteld ten opzichte van een bevolking die zojuist het slachtoffer is geworden van etnische terreur van de kant van de groepering die hier in bescherming wordt genomen, klinkt zij tamelijk precieus. Bovendien zou toetreding van beide landen tot de CVSE hetzelfde resultaat hebben.

Na het maandenlange uitstel van erkenning van de werkelijkheid in het voormalige Joegoslavië kan de EG het zichzelf beter niet meer al te moeilijk maken. Slovenen en Kroaten hebben aan dezelfde verlokking gehoor willen geven als de meeste andere Oosteuropese volkeren voor hen: zich losmaken van het communistische verleden en aansluiting zoeken bij het moderne Westen van Europa. Het verschil in behandeling werpt een smet op Europa. Dat verschil moet nu zo snel mogelijk ongedaan worden gemaakt.