Marginale mens lijdt Hollands Maandblad 1991-11. ...

Marginale mens lijdt Hollands Maandblad 1991-11. Uitg. Veen, 46 blz., ƒ9,25

Hysterici in de literatuur De Revisor 1991-6. Uitg.Querido, 96 blz. ƒ15,50

Survival in de Canadese literatuur Books in Canada, nov. 1991. 58 blz., $2,95. 33 Draper Street, Toronto, Ontario, Canada M5V 9Z9.

Marginale mens lijdt

Een lezing van François Haverschmidt, een interview met Franz Kafka, invalletjes en visioenen van Heinrich Heine: Hollands Maandblad werpt een blik in het verleden. Ook met de Duitse schrijver Alfred Lichtenstein en de Rus Evgeni Zamjatin, overleden in respectievelijk 1914 en 1937. Van de Rus, die met de roman Wij in 1920 preludeerde op Brave New World en 1984, werd een fraai kort verhaal vertaald over een chique gekleed en gebrild mannetje dat het in de tram aan de stok krijgt met een dronken arbeider - de korte strijd wordt heel verrassend beslecht met een dikke pakkerd.

Jean Schalekamps "Interview met Kafka' is geen navolging van Marita Mathijssens gesprekken met lang overleden dichters, maar een kort verhaal waarin een "ik' op zoek gaat naar de schrijver, vreemd genoeg op de plek waar zekere Weense psychiater gewoond heeft. "Franz Kafka, Berggasse 19, Fleischhauer'.

René van Slooten opent dit nummer met een artikel over de Romantische François Haverschmidt (1835-1894). Hij vindt dat de depressies van de dominee-dichter en zijn zelfmoord door de verschillende biografen nog onvoldoende zijn uitgelegd, zelfs door Robert Stofs in Geloof, twijfel, melancholie en zelfdoding in leven en werk van dominee François Haverschmidt (Piet Paaltjens) (Leuven 1990). Van Slooten wijst in het bijzonder op zijn sociaal-culturele achtergrond, die hem tot "marginale mens' maakte. Leven op de scheidslijn van twee onverenigbare culturen - Van Slooten legt verder niet uit welke hij precies bedoelt - betekende voor de schrijver ongeveer hetzelfde als voor Frederik van Eeden: een dubbele persoonlijkheid, diepe angsten, creativiteit, afstandelijke objectiviteit en een sterk gevoel van geïsoleerdheid. Ter illustratie werd een Nutslezing uit 1861 opgenomen, een imaginair reisverhaal dat Van Slooten leest als "psychologisch zelfportret en blauwdruk voor Haverschmidts verdere leven'.

Levende dichters in dit nummer zijn Margrieta Jeltema, Bei Dao en Anton Korteweg - "Ik wil wel als ons huiskonijn de grond in: op jonge blaadjes was hij uit, soezen, geaai.' Proza is er van Kester Freriks, Gerard van Emmerik, P. L. Wentzel en Hennie Bekker.

Hollands Maandblad 1991-11. Uitg. Veen, 46 blz., ƒ9,25

Survival in de Canadese literatuur

Voor wie op de hoogte gehouden wil worden van de literaire ontwikkelingen in Engelssprekend Canada lijkt het maandblad Books in Canada een voor de hand liggende, prettige keuze. Canada is wel het grootste engelstalige land ter wereld - en na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie zonder meer het grootste land van de wereld - maar zijn letteren genieten geen navenante roem. "CanLit' komt voor de doorsnee Nederlandse lezer ongemerkt mee op de kolossale stroom Angelsaksische boeken, net als de Ieren, die ene Australiër en anderhalve Nieuwzeelander.

In andere landen, vooral Amerika, klinkt in bepaalde literaire kringen "Canadees' zelfs zo ongeveer als "Vlaams' in sommige Nederlandse. Margaret Atwoods literaire agent in New York zei met kenmerkende directheid: “Luister schat, Canada is hier synoniem met dood”.

Helaas voor Canadese schrijvers denken veel Canadezen daar ook zo over en liggen de boekwinkels vol met Amerikaanse import. Atwood heeft dat de moeilijk uitroeibare Canadese "koloniale mentaliteit' gedoopt. Sinds zij in 1972 haar felle Survival: a Thematic Guide to Canadian Literature publiceerde is er, niet in de laatste plaats door haarzelf, wel wat veranderd. Men kent háár nu, en Margaret Laurence, Robertson Davies, Michael Ondaatje, Mordecai Richler, Alice Munro, Brian Moore, Jane Rule, Guy Vanderhaeghe, Matt Cohen - toch? Zij zijn in elk geval wel te lezen in Nederlandse vertaling.

Zien te overleven in de meest barre omstandigheden is een traditioneel Canadees literair thema - zozeer zelfs dat het Atwood tot irritatie en op de titel van haar polemische boek bracht - en het is nog steeds onverminderd geliefd bij schrijvers en lezers.

In het novembernummer van Books in Canada krijgt een wetenschappelijk boek van Inuit-specialisten over mummies op Groenland uitvoerig aandacht, evenals een werk over de verdwenen Franklin-expeditie in 1846. Die mislukte tocht is niet alleen metaforisch voor de arrogante moderne mens die zich niet wenst aan te passen aan zijn omgeving en daardoor omkomt. De Franklin-expeditie is ook weer volop en vogue in de Canadese fictie, zoals onlangs bij Atwood en Richler.

Ook aan de advertenties te zien doet het ruige "survival-boek' het goed in Canada. Maar wat kun je anders verwachten van een land waar een literair tijdschrift er aparte correspondenten op na houdt voor de kustgebieden en de prairies?

Sinds enkele nummers woedt in Books in Canada een discussie over nut en nadeel van de literatuursubsidies waarmee de Canadese autoriteiten zo scheutig zijn. Te veel schrijvers met te veel boeken drukken de goede auteurs weg, vinden tegenstanders (schaars); de Canadese schrijver heeft het in het buitenland al zo moeilijk dat hij zonder financiële steun verloren zou gaan, zeggen voorstanders van kunstsubsidies. Dit nummer biedt verder een interview met detective-auteur Laurence Gough, een van de vele Canadese schrijvers die begonnen zijn met korte verhalen voor de radio. Intrigerend is, tenslotte, een bijdrage over de Panic Encyclopedia van Arthur en Marilouise Kroker, een "definitive guide to the postmodern scene' waarmee ze een ongewone visie op de Westerse cultuur willen stimuleren.

Books in Canada, nov. 1991. 58 blz., $2,95. 33 Draper Street, Toronto, Ontario, Canada M5V 9Z9.

Hysterici in de literatuur

Een dadelijk aansprekend onderwerp in de nieuwe Revisor: hysterie en literatuur in de negentiende eeuw, behandeld door Maarten van Buuren. Hij spreekt van een epidemie omstreeks 1880, met naar schatting 50.000 patiënten alleen al in Parijs. Aan zijn noten en bibliografie te zien werkt hij aan een heel boek over dit boeiende, zeg maar gerust sensationele onderwerp. Hooguit vijf procent van de hysterici is man.

De naam van de ziekte is afgeleid van het Griekse woord hysteron voor baarmoeder. Diagnoses en therapieën hadden gedurende vierduizend jaar voor Freud alles te maken met geslachtsverkeer (het regelmatig bevochtigen van de baarmoeder), afschrikwekkende geuren (bevergeil onder de neus), schaamharen uittrekken, bloedzuigers ter plaatse aanbrengen, met vrouwelijk sperma, heksenverbrandingen, met overmatige vrouwelijkheid, te veel romanlectuur, een nonnen- of juist hoerenleven; de speculaties zijn onthullend. Van Dale schrijft de ziekte overigens nog steeds toe aan "storingen in het geslachtsleven'.

De burgerlijke moeder van een gezin schijnt nooit hysterisch geworden te zijn. Van Buuren spreekt in dit verband van een beschermende "afweerreactie' van de medische (burger)stand. Tussen afbeeldingen van hysterische patiënten, in extatische houdingen, schrijft Van Buuren over hysterie in het werk van de Goncourts (was Jules hysterisch?), Daudet en Zola (compleet met massahysteries op kerkhoven, hartstochtelijke toevallen en misbruik door artsen en priesters), van Baudelaire (hysterisch), Mallarmé (hysterisch) en Huysmans (hysterisch).

De Revisor 1991-6. Uitg.Querido, 96 blz. ƒ15,50