EG kreunend naar erkenning Kroatië en Slovenië

De EG lijkt, zij het aarzelnd en vol twijfel, door de bocht: twee dagen nadat de Veiligheidsraad nog unaniem de erkenning van Kroatië en Slovenië had afgewezen, besloten vannacht de ministers van buitenlandse zaken van de Twaalf daar op termijn, en natuurlijk op de nodige voorwaarden, wèl toe over te gaan. Als alles meezit worden Kroatië (en wel het Kroatië binnen de oude, "vooroorlogse' grenzen) en Slovenië op 15 januari erkend.

Zondag nog was de Veiligheidsraad tot de conclusie gekomen dat die erkenning "prematuur' is: Servië en het federale leger zouden zich immers na zo'n erkenning aangemoedigd kunnen voelen hun offensief tegen Kroatië te intensiveren en nòg meer dood en vernieling moeten tot elke prijs worden voorkomen. Het was het standpunt dat de EG tot dusverre ook heeft ingenomen.

De vrees dat erkenning tot meer geweld leidt, leeft kennelijk nog steeds bij de EG: de maand uitstel dient immers voor alles om de VN de tijd te geven het moeilijke probleem van de legering van een vredesmacht op te lossen. Het zal een verloren maand worden. Het is namelijk onwaarschijnlijk dat er volgende maand (of een maand later) VN-troepen in Kroatië zijn, en het is nog onwaarschijnlijker dat het federale leger zich uit Kroatië terugtrekt - voorwaarden die zijn verbonden aan de komst van VN-troepen. Als het leger en de Serviërs aan die voorwaarden zouden voldoen, erkennen ze impliciet de oude grenzen van Kroatië en hebben ze de hele oorlog voor niets gevoerd. Wie werkelijk meent met die boodschap in Belgrado gehoor te vinden, heeft elk zicht op de werkelijkheid verloren.

De vraag blijft of een erkenning van Slovenië en Kroatië de federalen en de Serviërs zal aanmoedigen de strijd te intensiveren. De vraag moet - zeker op de wat langere termijn - waarschijnlijk ontkennend worden beantwoord. De federalen en de Serviërs hebben zelf - natuurlijk - een nieuw offensief tegen Kroatië aangekondigd voor het geval het internationaal wordt erkend. Ze zùllen dat offensief ook inzetten, al was het maar om de internationale gemeenschap haar "foute' beslissing onder de neus te wrijven. Maar op de langere termijn zal het niet veel verschil maken.

Op 25 juni riepen de Kroaten en de Slovenen hun onafhankelijkheid uit. Niemand erkende die onafhankelijkheid, afgezien van de Baltische landen. Twee dagen later werd Slovenië aangevallen; er begon een oorlogje dat tien dagen zou duren en eindigde met een nederlaag van het federale leger. Een maand later begon in Kroatië een oorlog, die sindsdien tussen tien- en twintigduizend levens heeft gekost en heeft geleid tot de verwoesting van een groot aantal steden en dorpen, tot wreedheden op grote schaal en tot de verdrijving van een half miljoen mensen. De Servisch-Kroatische oorlog (want dat is het sinds de zuidelijke republieken besloten het federale leger geen recruten meer te sturen) heeft zich de afgelopen zes maanden ontrold, onafhankelijk van de vraag of de internationale gemeenschap Kroatië erkent of niet. Het is in het licht van de intensiteit van de strijd twijfelachtig dat erkenning van Kroatië de strijd nog zal intensiveren: wie de verwoestingen van Vukovar en Osijek en de met bulldozers met de grond gelijk gemaakte dorpen van Kroatië heeft gezien kan moeilijk verwachten dat het allemaal nòg erger kan.

Internationale erkenning van Kroatië zou waarschijnlijk op het slagveld weinig verschil maken. De Serviërs zullen blijven doorvechten, of Kroatië nu wel of niet wordt erkend.

Toch maakt erkenning één belangrijk verschil: Servië weet dat de internationale gemeenschap, conform de principes van Helsinki, geen met geweld afgedwongen grenswijzigingen zal erkennen. Met andere woorden: de Serviërs wordt door een erkenning van Kroatië duidelijk gemaakt dat hun verovering van Kroatisch gebied geen kans maakt internationaal te worden erkend, tenzij er een Kroatisch-Servisch akkoord komt over nieuwe grenzen. Die wetenschap zou - nogmaals - voor het verloop van de gevechtshandelingen wellicht weinig uitmaken, maar misschien, héél misschien, als een rem kunnen werken op de expansiedrift van de Servische generaals en politici. Die politici weten (of zullen ooit weten) dat ze met de internationale gemeenschap verder moeten, hoe en wanneer de oorlog ook afloopt. En ze weten ook dat er met die internationale gemeenschap niet veel te regelen valt als Serviës nieuwe, met geweld afgedwongen grenzen, niet worden erkend.

Nog veel merkwaardiger is de weigering van de internationale gemeenschap, Slovenië als onafhankelijke staat te erkennen. Slovenië heeft geen grensconflicten, is baas in eigen huis, heeft geen minderhedenproblemen, heeft geen federale militairen op zijn grondgebied, heeft een volwassen democratie en respecteert de mensenrechten. De Sloveense onafhankelijkheid is binnen Joegoslavië de facto erkend op de 18de juli, toen het federale leger besloot zich uit Slovenië terug te trekken. Slovenië functioneert in elk opzicht als een onafhankelijke staat. De koppeling tussen de erkenning van de Kroatische en die van de Sloveense onafhankelijkheid is - nog steeds - onzinnig, kunstmatig en nodeloos. Het argument dat erkenning leidt tot een intensivering van de strijd heeft, waar het Slovenië betreft, al helemaal geen relatie tot de realiteit, om de eenvoudige reden dat er sinds juli geen strijd meer is geweest en er in heel Slovenië geen federale soldaat meer ligt.

De weigering de Kroatische en de Sloveense onafhankelijkheid te erkennen, heeft per saldo alleen maar tot gevolg gehad dat de Serviërs zich aangemoedigd hebben gevoeld: zolang de internationale gemeenschap weigert de "vooroorlogse' Kroatische grenzen te erkennen, zijn die grenzen vogelvrij en kan men rustig verder vechten. Daarmee heeft die internationale gemeenschap tot nu toe steeds getoond, de ware aard van het Joegoslavische conflict te onderschatten. De oorlog in Joegoslavië is een veroveringsoorlog van een republiek - Servië - tegen een andere. Niet Kroatië en Slovenië hebben Servië aangevallen, maar omgekeerd. De Servische president Slobodan Milosevic, die al vier jaar geleden door de (inmiddels massaal geëmigreerde) Servische intelligentsia Baby Face Killer en Duce werd genoemd, heeft al in 1989 en 1990 herhaaldelijk en openlijk gezegd voor nieuwe Servische grenzen een oorlog over te hebben.

Het is merkwaardig met hoeveel respect de internationale gemeenschap de afgelopen zes maanden een Servisch regime is blijven bejegenen dat naar alle normale criteria moet worden bestempeld als een dictatoriaal regime met een akelig Blut und Bodem-kleurtje. Het Servische bewind heeft sinds 1987 zonder scrupules (en zonder Westerse protesten) de oppositie monddood gemaakt, de media gemuilkorfd, alle internationale criteria ten aanzien van de minderheden aan zijn laars gelapt en in Kosovo een rigoureus apartheidsbeleid gevoerd. Nog steeds wordt in Belgrado met het grootste gemak iedereen voor fascist uitgemaakt die het niet met Belgrado eens is: toen de paus onlangs opriep tot gebed voor Kroatië, was ook hij voor Belgrado een fascist.

Dat zijn zaken waaraan de internationale gemeenschap tot nu toe niet erg zwaar heeft getild. Sterker: tot nu toe heeft die internationale gemeenschap, door te weigeren Kroatië (en de oude Kroatische grenzen) te erkennen, het expansionistische Servië alleen maar verder aangemoedigd. Servië gedraagt zich al enkele maanden als een dief die op klaarlichte dag op strooptocht mag blijven gaan omdat de buitenwereld - de EG bijvoorbeeld - weigert te erkennen dat het andermans bezit is waaraan hij zich vergrijpt. Daarmee heeft de internationale gemeenschap al deze maanden het tegendeel bereikt van wat ze zei te willen: ze heeft de oorlog eerder verlengd dan bekort.