EG geeft voedsel en kredieten aan Russen

BRUSSEL, 17 DEC. De ministers van buitenlandse zaken en van financiën van de Europese Gemeenschap hebben gisteren hun goedkeuring gehecht aan een pakket extra voedselhulp en kredieten voor de voormalige Sovjet-Unie van in totaal 600 miljoen ecu (1,38 miljard gulden).

Daarvan wordt 100 miljoen ecu (230 miljoen gulden) onmiddellijk vrijgegeven als gift voor Moskou en St. Petersburg uit de interventievoorraden van de EG. Een speciale groep, bestaande uit functionarissen van de Europese Commissie en nationale experts, zal toezicht houden op de levering van de goederen. De hoeveelheid zal worden verdubbeld als het Europese Parlement daarvoor goedkeuring geeft. De Europese staats- en regeringsleiders hadden vorige week in Maastricht de extra voedselsteun ten bedrage van 200 miljoen ecu al in het vooruitzicht gesteld.

Een bedrag van 500 miljoen ecu (1,15 miljard gulden) komt beschikbaar als eerste deel van een lening van 1,25 miljard ecu voor de aankoop van voedsel en medicamenten in de EG en in Oosteuropese landen.

In kringen van de Europese Commissie wordt overigens ontkend dat er irritatie bestaat over de aankondiging, vorige week door de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, James Baker, van een speciale conferentie in januari over de hulp aan de Sovjet-Unie.

De woordvoerder van Commissievoorzitter Jacques Delors liet zich vorige week vrijdag ontvallen dat zo'n conferentie mogelijk meer te maken had met binnenlands-politieke overwegingen dan met zorg om de situatie in de Sovjet-Unie. Ook eerder al heeft de Europese Commissie laten doorschemeren dat ze ontevreden is over de bijdragen van de Verenigde Staten en Japan aan de hulpverlening. De hulp komt voor driekwart uit Europa.

Pag 5:

Driekwart van de hulp aan de Sovjet-Unie is afkomstig uit Europa

De hulp aan de Sovjet-Unie wordt, anders dan die aan de nieuwe democratieën in Oost-Europa, gecoördineerd door de G-7, de groep van meest geïndustrialiseerde landen, waarvan Groot-Brittannië op het ogenblik het voorzitterschap bekleedt. Irritatie over het Amerikaanse initiatief zou daarom eerder gerechtvaardigd zijn bij de Britten dan bij de Europese Commissie, zo is in Brussel te horen.

In het verleden heeft de Europese Commissie, die de hulp voor Oost-Europa van de G-24, de landen die lid zijn van de OESO, coördineert, bij verschillende gelegenheden laten doorschemeren dat ze ontevreden is over de bijdragen van Japan en de VS aan die actie. Jacques Delors vergeleek enige tijd geleden in het Europees Parlement de Amerikaanse bijdrage aan de G-24-operatie met het kersje dat wordt aangebracht op een “taart die door de EG is gebakken”. Desalniettemin, zo klaagde Delors, doen de Amerikanen net “alsof het hun taart is”.

Tijdens de bijeenkomst van de ministers van buitenlandse zaken gisteren in Brussel is de kwestie van de verdeling van de hulp aan de Sovjet-Unie overigens niet ter sprake geweest. Maar uit de cijfers die bij de Europese Commissie circuleren blijkt wel duidelijk dat de Europese Gemeenschap het overgrote deel van de hulp verschaft.

Van de totaal sinds 1990 tot en met de eerste tien maanden van dit jaar ter beschikking gestelde hulp, 50 miljard ecu (115 miljard gulden) komt driekwart voor rekening van de Europese Gemeenschap en de afzonderlijke twaalf lidstaten. Van die bijdrage is 74 procent afkomstig uit de Bondsrepubliek. De VS hebben van het totaal tot dusver niet meer dan 2,1 miljard ecu (4,8 miljard gulden) beschikbaar gesteld, Japan een soortgelijk bedrag, bij elkaar nog geen 9 procent van het totaal.

De G-7 hebben eerder dit jaar een bedrag van 7,5 miljard dollar beloofd, waarvan de VS, de EG en Japan elk een derde voor hun rekening zouden nemen. Die belofte bestaat echter niet alleen uit nieuwe verplichtingen, zo zegt de Europese Commissie. In feite, zo wordt wat wrang geconstateerd, hebben de VS en in het bijzonder Japan, voor het grootste deel bestaande beloften herhaald.