Een avondje veldwerk op de Wallen

De afgelopen twee jaar onderzocht een groep wetenschappers het Amsterdamse harddrugs-milieu. Ze ondervroegen 150 verslaafden over hun middelen van bestaan en hun levensstijl, voor een vergoeding van 25 gulden per interview. Vorige week werd hun rapport gepresenteerd onder de naam "De economie van het drugsbestaan.' Onderzoeker Ed. Leuw beschrijft een zomeravond in de "scene'.

Om vijf uur verzamelen bij de hoerenbrug naast de FEBO-automatiek en de "real life fucky, fucky'. We maken een uitstapje om onze "respondenten' weer eens in hun eigen territoir te bezoeken. Gezellige drukte, de gebruikelijke samenscholing van hoeren die tegen de brug hangen, spiedende kat-uit-de-boom-kijkers, half-verveelde toeschouwers die afwachten of er weer eens wat gebeurt. We hebben ons bij het druggebruikende deel van dit theater al aardig bemind gemaakt. Ongetwijfeld niet in de laatste plaats wegens het voor elk interview ter beschikking gestelde geeltje. Links en rechts worden we als oude kennissen begroet door wandelaars en tippelaars.

De portier van "fucky fucky' heeft ons net uitgenodigd de bananenshow te komen bijwonen, als uit de drukte Aadje, Tonnie en Gerrie opduiken. Aadje had een paar weken geleden aangekondigd dat hij op het punt stond om naar de TG Beneden Leewen te gaan. “Zeg nou zelf, ik word toch echt te oud voor dit leven”, had hij gezegd. Maar het verbaast me niet hem hier te zien. Aadje is behoorlijk gehavend, één kant van zijn gezicht is geschramd, gezwollen en blauw. Gerrie hinkt licht. Tonnie lijkt wat moe, maar verder tip-top, zoals altijd. Maar onder zijn kleren is hij flink beschadigd, zegt hij.

Na het plechtig schudden van handen barsten de heren gelijktijdig los. Dat was goddomme ook wat moois, hadden ze een oud vrouwtje geholpen, moest een stel opgefokte klootzakken zich er zo nodig mee bemoeien.

Eergisteren zaten ze met z'n drieën in de tram. Bij een halte moest dat vrouwtje uitstappen toen de tram al weer wilde wegrijden. Tonnie was daarom voor de nog open deur op de onderste tree gaan staan, zodat de tram niet weg kon. Voordat ze het wisten was de conducteur ter plekke met een grote bek. Hij duwde Tonnie bijna de tram uit, die kon zich nog net vasthouden. Gerrie had de conducteur toen bij zijn stropdas gegrepen en gezegd: “Dat doe je dus nooit meer, mafkees.” En toen had hij hem een beetje in zijn gezicht gespuwd.

De conducteur mocht daarna van hen gewoon doorrijden, maar die mafkees riep door zijn mobilofoon om versterking en voor ze het wisten werden ze door een grote overmacht aan agenten en GVB'ers de tram uitgewerkt en behoorlijk in elkaar geschopt. Tonnie kon nog net op handen en voeten wegkomen, Aadje en Gerrie werden meegenomen naar het bureau. Ik deel hun verontwaardiging over zoveel onbegrip. Later hoor ik dat Aad vlak voor onze ontmoeting met één vuistslag een collega-junk tegen het trottoir heeft geslagen. Dáár hebben ze niets over verteld, kennelijk was dat meer iets in de categorie routinegebeurtenissen.

We nemen afscheid en voegen ons in de stroom voor een gezonde wandeling. Ver komen we niet, want op de hoek van de Stormsteeg en de Gelderse Kade staat een dichte menigte van zo'n veertig personen, voornamelijk man en voornamelijk zwart. Er wordt afgewacht, uitgekeken, gedeald, onderhandeld, geproefd en gebruikt. Hier heerst de monocultuur van de nerveuze en schichtige dopemarkt. Paranoia, ruzie en vlucht hangen in de lucht.

Herman, een al wat oudere junk, informeert belangstellend naar de vorderingen van het onderzoek. Hij begint een discussie over de verloedering van de scene en over de politie en de gemeente die er op uit zijn alle druggebruikers te laten creperen. Wij zullen nooit begrijpen wat druggebruik precies betekent, zegt hij, daarvoor moet je zelf lang hebben meegelopen. Hij heeft het allemaal gezien: de hippies, het Vondelpark, het HUK. In die tijd had je als gebruiker nog echte goeie ideeën, idealen waar je voor leefde. Nu is het ieder voor zich en als je even niet oplet kun je een mes in je lijf krijgen. Een echte, melancholieke oude hippie die Herman, denk ik met enige vertedering. Mijn collega's Roberto en Gerben zijn sceptischer. Volgens hen filosoferen oude hippies niet alleen over de verzieking van de dopewereld, maar zijn ze daarvan zèlf meestal een onderdeel.

De samenscholing van kopers en verkopers heeft een kwartier geduurd, als zij zich plots oplost. Een Surinamer met een gebreid mutsje was net bezig om voorbereidingen voor een "chineesje' te treffen. Nu verdwijnt hij zenuwachtig achteromkijkend richting Binnen-Bantammerstraat. Spoedig verschijnt de oorzaak van deze geruisloze ontwikkeling: twee kuierende agenten. Ze constateren dat op de hoek van de Stormsteeg en de Gelderse Kade geen enkele wet wordt overtreden, noch dat er enig gevaar bestaat voor de openbare orde. Een paar minuten nadat de agenten zijn verdwenen, keren de eerste deelnemers terug. Wij zetten onze wandeling voort over de Nieuwmarkt en rechtsaf de Zeedijk op. Na enkele tientallen meters ontwaren we midden in een opgewonden kring Herman, de oude hippie, knokkend met een lotgenoot.

In het speeltuintje naast dit tumult zit Kees onverstoorbaar verdiept in zijn krant. Kees vormt, hoe smoezelig en vervallen hij er ook uitziet, een baken van rust in het junkie-mileu. Onervaren junkies, die niet weten waar ze zo gauw moeten scoren of hoe ze ter plekke aan een spuit moeten komen, geeft hij raad in ruil voor geld of natura. Hij kent duizend en één manieren om zich rijkelijk van dope te voorzien, zonder daarbij al te veel vijanden te maken. Hoeren, hoerenlopers, zakenlui of winkeliers, iedereen kan bij hem terecht voor een kleine service. Ons levert hij wel eens nieuwe klanten voor een interview, wat wij dan weer vergoeden met enkele pilsjes in het café.

Mijn collega Martin heeft hem een paar weken geleden geld geleend na een heel lang verhaal, dat er op neer kwam dat voor ƒ 35,- Kees' levensloop een beslissende wending ten goede kon krijgen. Martin wilde hem uiteindelijk wel vijf gulden lenen voor een kopje koffie, maar hij bleek geen muntstukje van vijf bij zich te hebben. Omdat de getrokken portemonnee de weg terug had versperd, vertrok Kees alsnog zeer tevreden met een geeltje op zak. Voor het eind van de week zou hij terugbetalen. De volgende dagen had Kees net even geen geld op zak, daarna wist hij gedurende twee weken door soepel manoeuvreren elke ontmoeting met zijn schuldeiser te vermijden. Omdat een mens zijn verlies tijdig moet weten te incasseren, wordt nu de deal gemaakt dat Kees het geeltje mag houden als hij nog twee nieuwe klanten voor ons vindt. Met een ruim gebaar verklaart Kees met deze regeling wel akkoord te gaan: “Tuurlijk jongen, altijd goed toch. Waar was je trouwens afgelopen week. Ik heb de hele week met dat geeltje voor je op zak gelopen.”