De komende revoltes tegen Europa

Het is met de grootste schroom dat ik het waag enkele aantekeningen te maken bij het verdrag van Maastricht. Waarom die schroom? Omdat de definitieve tekst van het verdrag nog niet vaststaat. Gezien de juridische complexiteit en vaak ook de ondoordringbaarheid van de tekst zoals die vorige week onder grote druk in elkaar is geflanst, zal het nog tot maart duren alvorens de finale redactie vaststaat.

En aangezien ik de banbliksems wil vermijden van mr. S. Rozemond van het Instituut Clingendael, die twee maanden geleden commentatoren heeft gekapitteld omdat zij zich hadden uitgesproken over een Nederlands voorstel voor een Europese Politieke Unie waarvan zij de tekst niet hadden gelezen, kan ik niet anders dan uiterst behoedzaam zijn.

Maar ja, intussen hebben het Europese Parlement en nationale parlementen vrijmoedig over dit verdrag gesproken en hebben bewindslieden hen daarover te woord gestaan zonder hen er fijntjes op te wijzen dat ze voor hun beurt spraken. Dus mag, vind ik, het voetvolk der commentatoren ook wel volgen - zij het met de nodige slagen om de arm.

Die slagen om de arm moeten we ook houden ten aanzien van de inhoud van het verdrag. Immers, het pad dat, volgens besluit van de Europese Twaalf, naar de Economische en Monetaire Unie moet leiden - het belangrijkste besluit van Maastricht overigens - is zó lang dat er, in de zeven jaar die ervoor zijn vastgesteld, nog van alles kan gebeuren wat het besluit weer op losse schroeven zet.

Aan de landen die per 1 januari 1999 deel van die Unie willen uitmaken, worden zulke hoge eisen gesteld, dat de vraag gerechtigd is of ze het wel allemaal zullen halen. Meestal wordt die vraag, nu al, gesteld ten aanzien van landen als Spanje, Portugal, Griekenland en Italië. Maar een staatje in The Economist van 14 december toont aan dat Nederland op dit ogenblik slechts aan twee van de vijf gestelde voorwaarden voldoet en aldus dichter in de buurt van die genoemde zuidelijke landen ligt dan bij Frankrijk, Luxemburg of Denemarken.

Voor onze zelfgenoegzaamheid is dit een heilzame waarschuwing, maar belangrijker is de vraag of in de komende jaren de Nederlandse gemeenschap bereid zal zijn de offers te brengen die nodig zijn om het inflatiepeil, het begrotingstekort en de openbare schuld aan de in Maastricht overeengekomen voorwaarden te laten voldoen. Zo niet, dan valt Nederland in 1999 buiten de boot.

Dat geldt natuurlijk voor alle landen (waarvan alleen Frankrijk en Luxemburg op dit ogenblik aan al die voorwaarden voldoen). De vraag is dus of de Europese kiezers de komende jaren bereid zullen zijn het hun regeringen mogelijk te maken te voldoen aan de voorwaarden die vervuld dienen te worden, wil de EMU tot stand komen. Hier past een groot vraagteken.

Niemand minder dan Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie, heeft vorige week in Straatsburg zich beklaagd over de “ingewikkeldheid van de procedures” die tot Europese besluiten moeten leiden en de vraag gesteld of “de staten zich er werkelijk bewust van zijn dat zij gemeenschappelijke belangen hebben en die het best samen kunnen verdedigen”.

Het is niet zozeer de vraag of de staten zich daarvan bewust zijn als wel de volken. Van hen zullen de noodzakelijke offers worden gevraagd, en ten aanzien van hen past - zeker in het licht van de ingewikkelde procedures en ondoordringbare besluiten - de vraag of ze daarvoor voldoende Europees saamhorigheidsgevoel hebben. Eén ding is zeker: de nationale regeringen zullen, ter verdediging van de nodige maatregelen, niet simpelweg kunnen verwijzen naar "Brussel' of "Europa'. Daar hebben de kiezers vooralsnog geen boodschap aan.

Dit alles geldt nog slechts de sanering van de eigen economieën, die nodig is om de EMU in 1999 van start te doen gaan. Maar sommige economieën zullen dat niet kunnen zonder hulp van anderen - zeker niet als ze ook nog aan uniforme sociale voorwaarden moeten voldoen. Vandaar dat premier Gonzalez van Spanje al bij voorbaat die hulp van anderen tot voorwaarde voor zijn jawoord maakte.

Dat betekent dat de Europese kiezer - want op hem komt het in laatste aanleg aan - niet alleen geconfronteerd zal zijn met de offers die nodig zijn ter sanering van zijn eigen economie, maar ook nog met de noodzaak van reusachtige inkomensoverdrachten aan andere economieën (en nu praten we nog niet eens over de economieën van Oost- en Midden-Europa. Zal die Europese kiezer daar in de komende jaren toe bereid zijn?

Ook in Duitsland, het belangrijkste land van de Europese Gemeenschap, zal de kiezer voor die keuzen komen te staan. Voor hem verdichten zij zich tot de vraag naar de stabiliteit van de D-mark, waarover in de publieke opinie plotseling grote zorgen zijn ontstaan. Het gevoel groeit in Duitsland dat Kohl de D-mark ter wille van de EMU uit handen heeft gegeven zonder er voldoende tegenprestaties voor te hebben gekregen. Ook hier lijken de grenzen van de Europese solidariteit te zijn bereikt.

Kortom, na de euforie van Maastricht - die op zich zelf al tot bedenkingen aanleiding zou moeten geven omdat iedereen tevreden was - is het nu de taak van de politici hun kiezers duidelijk te maken dat de hoogst ingewikkelde besluiten die genomen zijn, in hun belang zijn (want of ze in het belang van Europa zijn, kan de kiezer niets schelen). Lukt hen dat niet, dan kunnen we de komende jaren overal revoltes tegen Europa verwachten.

Bij deze mogelijkheid verzinkt het belang van alle andere in Maastricht genomen besluiten - over, bijvoorbeeld, buitenlandse politiek, veiligheidspolitiek en de gedeeltelijke uitsluiting van Engeland - in het niet. Wat ons werkelijk zorgen moet baren, is de groeiende kloof tussen wat de politieke elite en wat de bevolkingen bezighoudt.