Blokkendozen en korenmolens

Deze route begint waar de vorige eindigde, in de voormalige vestingstad Woerden aan de Oude Rijn, middenin het Groene Hart van Holland.

Vandaar loopt u langs de bochtige Linschoten, over het smalste van twee asfaltweggetjes, naar het pittoreske Oudewater. Vervolgens dwars door de weilanden over de Tiendweg, een mooie grasdijk, naar de Vlist, en langs dit riviertje naar het fraaie Schoonhoven, aan de Lek. Een prachtige route, zij het dat het einde in dit verslag onbesproken blijft. Maar daarover straks meer.

Een rustige, zonnige zondagmorgen lijkt bij uitstek geschikt voor een bezoek aan Woerden. Helaas is de vestingstad in de jaren zestig sterk verminkt omdat men zo nodig de Oude Rijn, die dwars door het centrum liep, moest dempen. Het middeleeuwse kasteel wordt nu ingesloten door een autoweg, het is meer dan triest. Na enig speuren valt er gelukkig genoeg te zien, zoals het miniatuur-stadhuis dat nu een museum is, de Petruskerk en de uit 1755 daterende korenmolen.

Buiten Woerden volgt u eerst, na het spoorwegviaduct, de Kromwijker Wetering. Rechts oude boerderijen die worden gerestaureerd, aan de overzijde een uitgestrekt industrieterrein. De kale blokkendozen zijn niet om aan te zien. Is dit de creatieve Nederlandse ondernemer? Kostenbesparing lijkt het enige wat telt. Is dit "vooruitgang'?

De dichter David Jacob van Lennep, de vader van Jacob, leverde al in de negentiende eeuw kritiek op “de rigting der eeuw, om in de eerste plaats het nuttige te zien en daaraan het overige op te offeren”. Immers, de bloemengeur werd verdrongen door “de damp der stoom”, het water werd verontreinigd door “fabrieksvocht”.

Van Lennep sr. kreeg echter omstreeks 1875 de wind van voren vanuit een onverdachte hoek: de enthousiaste wandelaar en landschapsbeschrijver dominee J. Craandijk. Hoewel deze “met blijdschap de ontkiemende bloemen, de pas ontplooide bladeren, het vrolijke vogellied begroet, voor hem zijn evenzeer levenstekenen de dampende schoorstenen, de gonzende en dreunende raderen”. (Jan Erik Burger: Voetwijzer voor Nederland 3).

Ruim een eeuw later gonst en dreunt de hele Randstad. Zoals het Groene Hart ontstond, zo gaat het nu weer ten onder: door bestuurlijke verschillen en onenigheid. Door de verdeeldheid tijdens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kreeg Nederland geen echte hoofdstad, maar een stedenring (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht). Inmiddels telt die “open metropool” wel ruim 6,5 miljoen inwoners en slibt zij langzaam maar zeker dicht.

Alleen een duidelijke, centrale aanpak kan die expansie nog in goede banen leiden. Zoals Paul Delouvrier in de jaren zestig op last van generaal De Gaulle rond Parijs vijf Villes Nouvelles creëerde, en daarmee de Franse hoofdstad van de verstikkingsdood redde. Het Groene Hart vormde voor hem een belangrijke inspiratiebron, de Villes Nouvelles werden gescheiden door ruime groene zones. Helaas denkt Den Haag slechts aan decentralisatie, voor de ruimtelijke ordening in de Randstad een ramp.

We lopen verder. Het betonnen viaduct bij de A12 is een machtig monument; met het razende autoverkeer boven zijn hoofd is de voetganger een nietig wezen. Gelukkig wordt het daarna echt mooi. Langs prachtige lanen met zwaar geboomte nadert u het Huis te Linschoten, dat uit 1647 dateert maar niet toegankelijk is. Vervolgens voert de kronkelende Linschoten de wandelaar naar Oudewater, met links en rechts voortdurend een weids uitzicht.

Oudewater, dat in het begin van de elfde eeuw al drie- tot vierhonderd inwoners telde, is een juweel, een miniatuur-Brugge op z'n Hollands. Al in 1319 kende de stad, anderhalve eeuw vóór Amsterdam, een Lombaardenhuis waar men geldzaken kon regelen. In die tijd een enorme innovatie, geïntroduceerd door de bewoners van Lombardije in Noord-Italië, die daarmee de grondslag van het moderne bankwezen legden.

De Spanjaarden legden Oudewater in 1575 weliswaar in de as, maar daarna volgde een wederopbouw die er mocht zijn. Bekijkt u het stadhuis in Hollandse renaissance-stijl, de St. Michaelskerk met haar machtige toren, en natuurlijk het Waaggebouw. Daar werden ooit verdachte vrouwen gewogen en, als ze te licht werden bevonden en zich dus wel eens per bezemsteel door de lucht zouden kunnen bewegen, als heks tot de brandstapel veroordeeld. Waar in andere oorden de weegschaal nog wel eens haperingen vertoonde, pakte Oudewater het wegen echter zo serieus aan dat men van ver over de grenzen naar de stad met de heksenwaag kwam. Er werden zoveel levens gered dat de laatste weging pas in 1754 plaatsvond.

Na Oudewater begint de provinciale weg, naast een winkel in rieten spullen, de Tiendweg. Dwars door de weilanden volgt u, af en toe een hek passerend, een prachtig gelegen graspad. De naam Tiendweg herinnert aan de tijd dat de boeren een tiende deel van de opbrengst moesten afstaan aan de grondeigenaar. Hier loop je niet naast, maar in het landschap.

Een koppel witte zwanen draait, luid klapwiekend met de vleugels, in een wijde cirkel om de wandelaar heen. Een sierlijke reiger blijft liever op afstand. Een vijftal jonge koeien stapt bij het naderen van een hek gretig naar me toe, hopend op voedsel. Hun genot van de buitenlucht lijkt met deze temperatuur - vier graden boven nul - beperkt. Waar de Tiendweg door passerend vee in een modderpoel is veranderd verdwijnt de dijk bijna in het naar het westen stromende slootwater.

Kaartlezen is voor de liefhebbers een vreugde: met enige fantasie geeft een topografische kaart een vooruitblik op het landschap. Maar ook ervaren kaartlezers raken soms de weg kwijt. Zo liep de schrijver van dit stukje, nadat de avond was gevallen en de oranje kleur uit de hemel was verdwenen, niet langs de Vlist maar door Hoenkoop, terug naar Oudewater. Dus houdt u het laatste deel van deze wandeling tegoed.

(voor meer informatie: zie Burger-Hesp-Van Schuppen: Voetwijzer door Nederland 1, Uitgeverij Terra Zutphen; zie ook: Roland-Heyl: Utrecht en het Gooi, Uitgeverij Elmar Rijswijk)