Vermeulen hoogtepunt Muziekdagen

Nederlandse Muziekdagen 1991. Concerten door Radio Kamerorkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Ed Spanjaard, Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Elgar Howarth en Radio Symfonie Orkest o.l.v. Lucas Vis. Werken van Vermeulen, Escher, Wagemans en vele anderen. Gehoord: 13, 14 en 15-12 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht.

Uitgezocht door Gaudeamus (Henk Heuvelmans), Donemus (Otto Ketting) en NOS (Robert Nasveld) werden in het afgelopen weekeinde in het goed bezochte Muziekcentrum Vredenburg zowel oude als nieuwe Nederlandse composities uitgevoerd voor alweer de derde aflevering van de Muziekdagen. Niet met de intentie om een representatieve doorsnede aan te bieden, aldus de folder, maar als teken van vitaliteit. Helaas, explosieve werken van Jan Vriend en Klas Thorstenson (bestemd voor het Holland Festival) kwamen te vervallen. Bovendien bleek het handschrift van Kees van Baaren in diens vroeger Concertino voor piano en orkest niet leesbaar. Jammer dat diens Concerto uit 1964 er niet voor in de plaats was gekozen, want dat is zeker een van de meest inspirerende werken uit de na-oorlogse produktie. Ernstiger vond ik, dat thema's en lijnen ontbraken, er werden nu eenvoudigweg 32 composities in zes concerten samengepropt.

Maar genoeg getreurd, gelukkig bleek Mattijs Vermeulens Tweede Symfonie "Prélude à la nouvelle journée' niet van het programma afgevoerd. Het werd, in een zorgvuldig gedoseerde en uiterst genspireerde uitvoering door het Radio Symfonie Orkest onder leiding van Lucas Vis, moeiteloos het absolute hoogtepunt. Soms leest men dat Vermeulen te complex schreef en onhandig instrumenteerde, maar wanneer de verhouding tussen de diverse orkestgroepen in balans is en alle tekens in acht worden genomen, blijkt opeens het werk wel degelijk volstrekt logisch te klinken en zijn alle soli ook in diverse verstrengelingen uitstekend te volgen. Ergens tussen de geëxalteerdheid van Honeger en Varèse's meer schrille clusters in, vond Vermeulen al in 1920 zijn eigen weg.

Alhoewel minder persoonlijk, boeide zeker ook Rudolf Escher's sombere Eerste Symfonie (1953-1954), in de opzet van zijn vele polyfone lijnen bovendien goed met Vermeulen vergelijkbaar. Escher trok zijn werk terug, herzag de twee eerste delen, maar kwam niet tot een eensluidende oplossing voor het slotdeel. Willem Boogman boog zich over de diverse aanwijzingen, waagde zich echter niet aan de contrastrijkere afwisseling die Escher kennelijk voor ogen stond en reduceerde de veertien geschrapte maten van de finale tot de helft. Het blijft overigens een vreemd deel, dat zeer licht en luchtig begint in fluiten en celesta, eigenlijk meer iets voor een balletsuite dan een symfonie.

Naar contrasten streefde ook Bart de Kemp (maar dan uiteraard van begin af aan) in zijn Putti (1991) voor Kamerorkest, gebaseerd op de energieke huis-tune van de Gonzaga's (het "Wilhelmus' van Mantua) zoals Monteverdi deze in enkele van zijn grotere composities heeft verwerkt. Putti begint overenthousiast in de blazers - niet zo handig voor instrumenten als de hoorn geschreven, en rommelig uitgevoerd bovendien - om in een treffend contrast door de statische strijkers te worden opgevangen. Prachtig zoals de energie vervliegt! Jammer dat dit procedé alleen nog maar herhaald wordt, wat niet wegneemt dat De Kemp er qua durf en inventiviteit zeker uitsprong.

Durf is zijn vroegere leraar Peter-Jan Wagemans in Klang voor Groot Symfonie Orkesten uit 1987 al evenmin te ontzeggen. Afgezien van één ontspanningspunt als eerbetoon aan Schreker's Der Ferne Klang klinkt er voortdurend een aan Messiaen herinnerende mengklank in de montage van soms zelfs zes verschillende lagen. Ongeveer halverwege kijkt het publiek elkaar wat gegeneerd lacherig aan, omdat Wagemans weigert een ontspanningspunt in te lassen, maar daarna accepteert men het verbeten klankritueel en luistert - als het ware met nieuwe oren - geboeid toe.

Ook Joep Franssens eist een speciale luisterinstelling. Phasing voor koor en orkest in 1985 klinkt als vanuit de verte in een bijna stilstaande new age muziekachtige context, terwijl Huib Emmer in Point Blank voor pianoduet uit 1990-1991 niet voor niets een titel koos, ontleent aan de thrillerschrijver Richard Stark: een muziek die rechtstreeks op het trommelvlies knalt, schier perfect uitgevoerd door de killerelite Gerard Bouwhuis-Cees van Zeeland. Het werk treft in een consequent volgehouden scherpe scheiding tussen gestoken losse basnoten en even scherp geplaatste akkoorden in hoge ligging. Er trad zaterdagmiddag in de Kleine Zaal nog een pianoduo aan, maar dat klonk te plompverloren om verder over uit te weiden, onherstelbaar voor composities van Schlegel, Van Tetterode, Pijper en Badings.

Van de oudere garde fascineerde mij een Pianoconcert in F uit 1899, waarmee Jan Brandts Buys een tweede prijs behaalde op het Weense Bösendorf-concours. Het werk klinkt pianistisch effectvol en begint zelfs ijzersterk met een motto van twee pikante dissonerende akkoorden op Es muss! naar Beethovens opus 135.

Ten slotte wil ik nog aandacht vragen voor twee werken uitgevoerd door het blazerscollectief De Ereprijs op de laatste avond. Air? (1989) van Ivo van Emmerik is conceptueel van opzet. Een trompetmelodie krijgt in de vorm van een gestreken bekken een stoorzender mee, maar de ruis kan ook in de multiphonics van de klarinet belanden, en zo is Air? tevens een studie in het doorbreken van verwachtingspatronen. Chiel Meijering's Het blote feit (1988) als een muziek bij een niet-bestaande druilerige Nederlandse film voor boven de achttien jaar geeft de fluit de leiding. Aanvankelijk klinkt het wat doelloos tastend maar het eindigt wel degelijk in een happy end ingezet in het geweld van de electrische basgitaar.