Turkije wil Koerden nu omarmen

ISTANBUL, 16 DEC. “U bent allen eersteklasburgers.” “Het zal uit zijn met de onderdrukking.” “Ik ben nog meer tegen foltering dan u.” “Er zal een brug worden geslagen tussen staat en volk.” “Iedereen zal van nu af mogen roepen dat hij Koerd is.” “We hebben de Koerdische realiteit begrepen.”

Dat waren enige uitspraken die de nieuwe Turkse premier Süleyman Demirel en de nieuwe vice-premier Erdal Inüon recentelijk hebben gedaan in toespraken tijdens hun tournee door het roerige zuidoosten van het land. Het was de invulling van de belofte uit Demirels regeringsprogramma: “De staat zal de bevolking van het zuidoosten met affectie benaderen.”

In de steden Diyarbakir, die zich als Koerden-hoofdstad beschouwt, en Siirt kwamen behoorlijk grote menigten op de been om naar de nieuwe regeerders te luisteren. Daar zorgde de HEP wel voor, de Koerdisch georiënteerde Partij van de Volksarbeid die bij de verkiezingen van 20 oktober nauw met Inüon's Sociaal-democratisch Populistische Partij (SPP) heeft samengewerkt. In Diyarbakir kreeg de SPP zeven van de acht districtszetels, Demirels conservatieve Partij van het Juiste Pad slechts één.

Zonder de voorafgaande regeringen van de Moederlandpartij bij name te noemen, liet Demirel doorschemeren dat deze samen met het militaire regime dat in 1980 aan de macht kwam, verantwoordelijk moest worden gesteld voor het gebrek aan vertrouwen dat de Koerdische bevolking in de staat had. Maar dat was nu verleden tijd. “De staat zal u omarmen zodat u ook de staat kunt omarmen.”

Op enkele essentiële punten die de bevolking sterk bezighouden gingen Demirel en Inüon echter niet in: de opheffing van de uitzonderingstoestand, en van het instituut van de "dorpswachters', een opheffing waarvan de SPP een voorstander is. De PKK (Arbeiderspartij Koerdistan), die in deze contreien al sinds 1984 een guerrillastrijd voert, noemden zij nog steeds “terroristisch” en “bloeddorstig”, al werd de oude betiteling “bende” niet meer gehoord. Die suggereert namelijk een kleine groep, terwijl het duidelijk is dat de beweging steeds meer om zich heen grijpt. Wel beloofde Demirel dat de strijd tegen de terroristen niet meer gepaard zou gaan met excessen ten koste van de bevolking.

In de visie van Demirel verliest de PKK haar voedingsbodem zodra de regering de Koerden als volwaardige burgers gaat behandelen. De PKK heeft onmiskenbaar haar groei te danken aan het feit dat de bevolking de maatregelen van de Turkse gendarmerie als nog drukkender ging ervaren dan het ruige optreden van de guerrillastrijders. Maar het is de vraag of de partij intussen niet een vaste plaats is gaan innemen in het bewustzijn van de bevolking.

PKK-leider Abdullah Öcalan is onlangs over deze en andere zaken uitvoerig aan het woord gekomen in een vraaggesprek met de Engelstalige, in Ankara uitkomende Turkish Daily News, dat vijf afleveringen in beslag nam. Het werd opgenomen in het centrale kamp van de PKK in de Libanese Beka'a-vallei, waar degenen die zich uit Turkije aanmelden worden geoefend.

Volgens hem kan de beweging het aantal aanmeldingen niet meer bijhouden. “Elke Koerdische familie wil nu een zoon aan de PKK afstaan.”

Öcalan weersprak berichten die door de Iraakse Koerden-leider Talabani waren verspreid als zou de PKK een eenzijdige wapenstilstand in acht gaan nemen die tot het Koerdische nieuwjaarsfeest, 21 maart, zou duren. De winterse omstandigheden waren natuurlijk niet bevorderlijk voor operaties, maar deze winter zou wel een voorlopige oorlogsregering worden gevormd in het Koerdische kerngebied tussen Botan en Bedinan, dus op Turks grondgebied waar de PKK nu al de feitelijke controle uitoefent. Interessant was overigens dat hij zich in dit vraaggesprek voor het eerst distantieerde van de idee van afscheiding van Turkije.

De PKK was al lang geen organisatie meer die vrouwen en kinderen afslachtte, verklaarde Öcalan. Dit was in het begin gebeurd op aanstichting van een zekere Hogir, die nu zou zijn overgelopen naar het Iraakse regime. “Nu sparen wij zelfs gewonde Turkse soldaten.”

Uit al zijn uitlatingen bleek dat Öcalan ambieert een geciviliseerde en gerespecteerde gesprekspartner te worden. Gevraagd naar zijn inschatting van het "affectie-offensief' van Demirel, verklaarde hij, graag met hem te willen onderhandelen, en zelfs onvoorwaardelijk. Maar over de mogelijkheden toonde hij zich pessimistisch.

Ten eerste was het te betwijfelen of Demirel werkelijk “de Koerdische realiteit had begrepen” als hij van mening was dat de PKK slechts bloeddorstig uitschot was dat diende te worden vernietigd. Maar nog nijpender was de vraag in hoeverre Demirel in staat was de feitelijke macht uit te oefenen.

Volgens Öcalan zijn er duistere machten, officieuze verlengstukken van het veiligheidsapparaat en de geheime dienst, die, zeker in het betreffende gebied, de gang van zaken bepalen. Hij herinnerde eraan dat al eerder dit jaar president Özal was gekomen met een soort "vredesoffensief', waarin zelfs even sprake was van een federalistische oplossing. Daarop begon in het gebied een reeks van geheimzinnige moorden en andere aanslagen op Koerdische doelen. Ook de laatste tijd komt het in Diyarbakir en omstreken weer tot onopgehelderde, politiek geïnspireerde moorden die aan het veiligheidsapparaat worden toegeschreven.

Demirel en Inüon refereerden er slechts zeer terloops aan. “Als er verdachte moorden plaatshebben”, aldus eerstgenoemde “zullen we dat verhinderen”. En Inüon riep optimistisch: “Alle moorden zullen grondig worden onderzocht.”