Tibetanen aan weerszijden van de voorspoed

In China bestaat door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie zorg over nieuwe kansen op Tibetaanse onafhankelijkheid. Mogelijk is dat de reden dat een Tibetaanse driemansdelegatie, die het officiële Chinese standpunt verkondigt, momenteel door Europa reist. In Den Haag had onder toezicht van het Tweede Kamerlid Doeke Eisma (D66), een confrontatie plaats met hun politieke tegenstrevers: vertegenwoordigers van de Dalai Lama.

DEN HAAG, 16 DEC. Twee Tibetanen. Ze dragen dezelfde naam: Phuntsok, Tibetaans voor voorspoed. Lhakpa Phuntsok is onderdirecteur van een onderzoekscentrum in Lhasa, geleerde noemt hij zich. Hij is de leider van de Chinees-Tibetaanse missie. Wangyal Phuntsok is directeur van de Tibet Foundation in Londen, dat als patroon heeft Zijne Heiligheid de Dalai Lama. Hij is lid van het Tibetaanse parlement in ballingschap. Twee Tibetanen met volmaakt tegengestelde meningen over hun eigen land.

“Wij willen U graag iets vertellen over de Tibetaanse geschiedenis en cultuur”, zegt professor Dan Zhu Ang Ben, lid van Lhakpa's delegatie. “De Tibetaan stamt af van een mannelijke aap; 50.000 jaar geleden, was er op de Tibetaanse hoogvlakte al sprake van menselijke activiteit.”

Dan Zhu beschrijft met lange uithalen de grote liefde door de eeuwen heen van de Chinezen voor de Tibetanen en zegt dat van uitbuiting nooit enige sprake is geweest, ook niet nadat de Chinese Volksrepubliek in 1950 Tibet “vreedzaam bevrijdde”, zoals het in de officiële termen heet. “Al onder de keizers bestond erkenning voor de eigen aard en cultuur van de Tibetanen. Veel buitenstaanders begrijpen gewoon niet wat er aan hand is. Het feodale slavensysteem van weleer is afgeschaft, de mensen zijn nu baas in eigen land. De Chinezen hebben ons welvaart gebracht, wegen, onderwijs, een moderne industrie.”

Phuntsok Wangyal, die in 1959 als 15-jarige jongen Tibet ontvluchtte, bestrijdt de tekortkomingen van de vroegere samenleving niet. “Het Tibet van voor de Chinese bezetting was geen shangrila, maar dat is het na 1950 ook niet geworden. De door China veel geroemde verbetering van de infrastructuur komt alleen maar ten goede aan de Chinezen, het is voor Tibetanen vrijwel verboden gebruik te maken van de mooie wegen. De grondstoffen die worden gewonnen in Tibet worden allemaal naar China gebracht.”

Het kernpunt van het conflict is de vraag of China historische rechten kan laten gelden op Tibet. De officiële delegatie voert aan dat Tibet vanaf het begin van de Yuan-dynastie (1271-1368) “een onafscheidelijk deel” van het keizerrijk was. “Hiervoor zijn historische bewijzen, onder meer de keizerlijke stempels”, zegt Lhakpa Phuntsok - hij spreekt in het Chinees.

“Hoe komt U daarbij”, reageert Wangyal Phuntsok in het Engels, “Tibet was nooit een integraal deel van China en dat staat ook nergens beschreven in de geschiedenis van de dynastieën.” Wangyals argument dat Tibet tussen 1914 en 1950 (na de conferentie van Simla) de facto onafhankelijk was, wordt door Lakpha fijntjes gepareerd met de opmerking dat die onafhankelijkheid door geen enkel ander land ooit is erkend.

China heeft zich nooit uitgelaten over het aantal slachtoffers van de invasie van 1950 en van het neerslaan van de opstand van de Tibetanen negen jaar later. “De dialectiek van de geschiedenis is meedogenloos” luidt de Chinese lezing van de geschiedenis. De Tibet Foundation zegt dat de opstand van 1959 alleen al aan 87.000 Tibetanen het leven kostte en dat gedurende veertig jaar Chinese "bezetting' in totaal 1,2 miljoen Tibetanen zijn gedood.

Voor Lhakpa Phuntsok is de huidige situatie in Tibet bijzonder helder: “De Tibetanen hebben, net als de andere 55 nationaliteiten in China gekozen voor het socialisme. We bevinden ons op een bochtige weg, soms kan er meer, soms minder openheid zijn. Wij hebben begrepen dat veel dingen in de wereld zijn veranderd, vooral in Oost-Europa. China heeft daar niets mee te maken, wij gaan onze eigen weg. Er is nu nog een handjevol Tibetanen, aangestoken door buitenlandse krachten, dat onafhankelijkheid wil, een grote meerderheid van de Tibetanen is hier tegen.”

Wangyal: “De Chinese regering ontkent stelselmatig dat er sprake is van schending van de mensenrechten in Tibet. Als dat zo is, waarom laat U ons, als Tibetaanse ballingen, dan niet toe om dat te controleren”? Lhakpa: “We laten alleen degenen toe die onbevooroordeeld en objectief staan ten opzichte van Tibet.”

Wangyal Phuntsok spreekt de officiële delegatie aan op hun Tibetaan-zijn en zegt: “Laat ons als Tibetanen in Tibet en Tibetanen in het buitenland samen dansen, spelen, eten en grappen maken over onze cultuur en religie.” Hij probeert het gesprek voort te zetten in het Tibetaans, tot grote verwarring van de tolken van de Chinese ambassade, die het Tibetaans niet beheersen. Na enkele zinnen is Chinees weer voertaal.

Nadat Lhakpa is vertrokken zegt Wangyal ervan overtuigd te zijn dat de Chinezen het Tibetaanse trio hebben ingezet voor propagangadoeleinden. Lhakpa en de zijnen zouden ook wel beter weten, maar hun leven en dat van hun familie zou in gevaar zijn wanneer ze niet het officiële standpunt verkondigden. Pogingen van de Tibet Foundation om de delegatie van Lhakpa buiten de Chinese ambassade om te spreken mislukten.

Wangyal ziet voorlopig weinig veranderen in het Chinese standpunt, maar klampt zich vast aan de ondergang van het Oosteuropese communisme en de groeiende belangstelling van het Tibetaanse vraagstuk bij Westerse regeringen. Dit jaar werd de Dalai Lama ontvangen door de Amerikaanse president Bush en door de Britse premier John Major. “Net zoals de Baltische staten succesvol zijn geweest in het herwinnen van hun vrijheid, vertrouw ik erop dat wij ook spoedig dat doel zullen bereiken, na 42 jaar bezetting”, aldus de Dalai Lama in een recente toespraak.

In maart 1992 staat Tibet weer op de agenda van de subcommissie voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties. Volgens de Tibet Foundation knijpt Peking hem als een oude dief dat er een veroordeling uitrolt; in augustus sprak de commissie zijn grote ongerustheid uit over de situatie in Tibet.