Pensioenfraude

De Nederlandse wet acht werknemers ongetwijfeld capabel geld voor de oude dag opzij te zetten en te beheren. (Hoewel velen, daartoe in de gelegenheid gesteld, dat geld vervolgens pijlsnel zouden toevertrouwen aan de zorg van een verzekeringsmaatschappij. ) Het is de Nederlandse, paternalistische, "wij-weten-wat- goed-voor-hen-is' cultuur die maakt dat wij de werknemer die het zorgen voor de oude dag beschouwt als een "ver-van-m'n-bed-show' willen beschermen tegen zijn of haar aanvechting nu van de centjes te genieten.

Van de beide recente fraude-zaken bij administraties van pensioenfondsen (waaronder dat van de Gasunie) is uitgebreid melding gemaakt in de landelijke dagbladen (zie het redactioneel commentaar in NRC Handelsblad van 9 december). De desbetreffende boekhouders kunnen het niet helpen dat hun strafbare handelingen minder tot de verbeelding spreken dan de binnen de Engelse wetgeving gelegitimeerde "stommiteiten' van R. Maxwell.

De sneer naar besturen van onder meer ondernemingspensioenfondsen voor wat betreft hun beheer van het pensioenvermogen slaat in zoverre nergens op dat men doorgaans de zekere - want veilige - kant kiest door ¢4 90 procent van het pensioenvermogen te beleggen in vastrentende waarden (obligaties, deposito's, en dergelijke) en voor wat betreft de in zakelijke waarden te beleggen overige tien procent afgaat op adviezen van adviseurs bij grote Nederlandse banken (die, en dat weten die besturen heel goed, belang hebben bij grote aantallen transacties).

Nu Nederland zich onder andere naar aanleiding van de door deze regering opgestelde Pensioennota en de berichtgeving hierover in de landelijke pers eindelijk voor z'n pensioen begint te interesseren, dient de redactie zich te onthouden van een dergelijk ongenuanceerd commentaar.