Discussie over verschillen in taalgebruik in De Rode Hoed; Soaptaal: aarzelvrije clichés

AMSTERDAM, 16 DEC. Kun je iemand behalve aan de hand van zijn kleding ook aan de hand van zijn taal plaatsen? vroeg Max van Rooy zich gistermiddag af in zijn inleiding tot De spraakverwarring, een middag over taal in de Rode Hoed in Amsterdam. Filosoof Jaap van Heerden, werkgeversvoorzitter A.H.G. Rinnooy Kan, reclameman Paul Mertz en "soapschrijver' Wim T. Schippers waren gevraagd een inleiding te houden over de taal in hun beroepsgroep, waarna discussie zou volgen onder leiding van columnist en taalkundige Hugo Brandt Corstius. De vraag van Van Rooy was aan het eind van een vrolijke middag grotendeels bevestigend beantwoord, zij het niet door de sprekers. Dat wil zeggen: wel door hun verschijning en hun taalgebruik, niet door wat zij zeiden.

De werkgeversvoorzitter droeg een blauwe blazer en grijze broek en gebruikte zinnen als: “beide partijen geven er de voorkeur aan niet precies te communiceren waar het om gaat”. De filosoof beantwoordde aan het beeld van de intellectueel die niet al te veel aandacht voor zijn kleding heeft: een grijze trui onder een onverschillig jasje, gebreide sokken onder een onbestemde broek. Hij sprak met een aanzienlijk hogere graad van abstractie dan zijn voorganger en refereerde onbeschroomd aan Popper, Lakatos en Heraclitus. De reclameman had juist over elk onderdeel van zijn verschijning nagedacht, het hoge boordje van zijn blauwe met zwart bedrukte overhemd, het dichtgeknoopte v-halsjasje en zeker ook de hoge zwarte glitterschoenen hoorden bij "compact' "soepel' en "communicatieve component'. Het rechtopstaande haar, oranje katoenen jasje en de zes verschillende manieren om niets te zeggen van de televisieserieschrijver ten slotte kwamen overduidelijk uit Hilversum.

Konden zij met elkaar praten? Dat was een van de vragen die in de aankondiging van het programma was gesteld. Aanvankelijk deden de sprekers daar geen moeite voor, omdat zij immers ieder hun eigen zegje wilden doen. Rinnooy Kan betoogde dat er een algemene behoefte aan verhullend taalgebruik bestaat: ziektes die alleen met een letter worden aangeduid, een huis waarvan zowel makelaar als potentiële koper zeggen dat het "achterstallig onderhoud heeft', en vooral de manier om winstdalingen en -stijgingen aan te geven: tot 2 procent spreekt men van "fractioneel', tot 4 procent van "gering', tot 12 procent van "duidelijk' en zo verder. Waar komt deze behoefte aan eufemismen vandaan?

Van Heerden sprak over de taal van het meningsverschil. Het is opvallend hoe vaak de taal in discussies, naar mate het er heviger aan toe gaat, terugkeert naar het letterlijke en het lichamelijke, zei hij. Alsof de oorsprong van het meningsverschil, de lijfelijke vechtpartij, toch weer door de taal heen schijnt. Dan gaat men spreken van "impotent gebrabbel', "intellectuele zelfbevlekking', "een bedwelmende stank die opstijgt' uit iemands woorden, of men schrijft de tegenstander een "anale fixatie' toe.

Paul Mertz had allerlei bezwaren tegen "de media' hoewel hij voorop wilde stellen dat "de' media natuurlijk niet bestaan, hij zou dan ook vooral over de reclame spreken "aangezien ik in dat huis al jaren woon'. Wat hij er nu precies over te zeggen had werd niet zo duidelijk, het kwam erop neer dat de taal in de reclame iets heel geweldigs was maar dat de media zich er zeer ongunstig door lieten beïnvloeden en woorden als babyboomers, cocooning, pomo's, yuppies en combi-vrouwen gingen gebruiken.

Wim T. Schippers kwam na enige omhaal en schijnbewegingen met een definitie van een soap: "een vervolgverhaal gevuld met op- en afdravende, aarzelvrij, goed verstaanbare clichétaal tegen elkaar uitslaande personages, duidelijk in beeld gebracht'. Zoiets schrijft hij dus niet, reden waarom hij bij de uitnodiging om over soap te komen praten geen moment had geaarzeld en meteen “Nee!' had gezegd en "Geen denken aan!' en "No way!'.

Na de pauze konden wij dan eindelijk horen of de sprekers elkaar ook verstonden en ja dat deden ze, zij het dat ze niet wisten waarover ze eens zouden discussiëren. De enige die niemand makkelijk zou kunnen plaatsen, noch op grond van zijn kleding, noch op grond van zijn taalgebruik was discussieleider Brandt Corstius: hij droeg een paars wollen jasje en zei: “We hebben nog tien minuten om deze discussie op hoger peil te brengen. Heeft iemand een suggestie? Ik geloof niet dat het nog van ons kan komen.”