De krijgsmacht "verburgerlijkt'

Met een cryptische uitspraak over "damage limitation by role hunting', verwoordde de milieudeskundige Gwyn Trins, de Britse Lucas Reinders vorige week op een conferentie in Greenwich zijn mening dat krijgsmachten, nu de dreiging uit het oosten is weggevallen, naarstig op zoek zijn naar nieuwe taken. Op zichzelf is dit niets bijzonders, want elk handboek bedrijfskunde leert ons dat iedere organisatie een zekere overlevingsdrang in zich heeft.

In dit verband is dit jaar een aantal nieuwe activiteiten van de Nederlandse krijgsmacht te onderkennen die men als een verbreding van de "traditionele' defensietaak kan beschouwen. Gedoeld wordt hierbij op de militaire deelname aan humanitaire interventie in Noord-Irak, het zenden van militaire waarnemers naar Joegoslavië en de aankondiging van de Koninklijke Marine de Verenigde Staten assistentie te gaan verlenen bij het patrouilleren ter opsporing van drugstransporten in het Caraïbisch gebied.

Gemeenschappelijk kenmerk van deze activiteiten is dat het niet om de kernfunctie van de krijgsmacht, maar om vredestaken gaat. Dus in feite om oneigenlijke taken, waaraan het dreigen of het gebruikmaken van geweld ontbreekt. Eigenlijk niets nieuws, want de Nederlandse krijgsmacht voert al jarenlang vredestaken uit zoals de kustwacht door de Koninklijke Marine en terreurbestrijding door de bijzondere bijstandseenheid van het Korps Mariniers. De Koninklijke Landmacht heeft taken bij rampenbestrijding en helpt bij de oogst, de schoonmaak van natuurgebieden als ook bij de bouw van noodbruggen. De Koninklijke Luchtmacht assisteert in de vorm van luchtobservatie en stelt in noodgevallen helikopters beschikbaar voor zieken- en gewondentransport. Ook houdt ons land sinds 1963 onderdelen van de krijgsmacht beschikbaar voor vredesoperaties van de Verenigde Naties. Allemaal activiteiten waarvoor de uitspraak geldt: "it is not a soldiers job but only soldiers can do it'.

Bovengenoemde taken zouden natuurlijk nooit de oprichting van een defensie-apparaat kunnen rechtvaardigen, want hoe men het ook wendt of keert, de kernfunctie van een krijgsmacht blijft ook in de toekomst het kunnen uitoefenen van georganiseerd massaal geweld, anders gezegd: het "management of violence'. Dat doet echter niets af aan het feit dat het personeel en het materieel van de krijgsmacht in potentie een belangrijk toegevoegde waarde hebben die ten nutte van de samenleving kan worden aangewend.

Enerzijds kan de krijgsmacht de civiele maatschappij behulpzaam zijn bij de oplossing van problemen en anderzijds is de uitvoering van vredestaken motiverend voor het militair personeel. Tevens kan de uitvoering van deze taken als toetssteen dienen voor de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het functioneren van de krijgsmacht en voor de wijze van taakvervulling van het personeel.

Het in sommige kringen opgeroepen spookbeeld van een te voorziene militarisering van de samenleving is schromelijk overdreven. Sterker nog: een verbreding van de defensietaak zal eerder een (nog) grotere vermaatschappelijking van de krijgsmacht tot gevolg hebben.

Kortom, de uitspraak dat de krijgsmacht na het einde van de koude oorlog op zoek is naar "nieuwe vijanden' om haar bestaansrecht te legitimeren is nogal kortzichtig. In de eerste plaats heeft het defensie-apparaat immers altijd al, onafhankelijk van de internationale politieke situatie, vredestaken vervuld. In de tweede plaats is de krijgsmacht een open systeem dat als iedere organisatie inspeelt (uiteraard onder politieke goedkeuring) op veranderingen in haar omgeving. Wat dit laatste betreft is er de laatste jaren sprake van een veranderende veiligheidsagenda. Vanouds is de veiligheid van een staat altijd geassocieerd geweest met de handhaving van de territoriale integriteit en het onafhankelijk kunnen functioneren van het politieke en maatschappelijkesysteem. Vooral tijdens de Koude Oorlog domineerde de "militaire veiligheid' de dagelijkse veiligheidsagenda. Dit als uitvloeisel van de ideologische confrontatie op politiek, economisch en maatschappelijk terrein, tussen Oost en West. Met het einde van de militaire confrontatie in Europa zijn er nieuwe punten op de veiligheidsagenda verschenen, waarbij de toegevoegde waarde van de krijgsmacht een belangrijke rol kan spelen. Een tweetal voorbeelden.

Ten eerste. Steeds meer overheerst de mening dat in geval van een grove schending van de mensenrechten de internationale gemeenschap het recht, ja zelfs de plicht heeft, tot humanitaire interventie. Hoewel artikel 2 lid 7 van het Handvest van de Verenigde Naties de inmenging in binnenlandse aangelegenheden van een staat verbiedt, verklaarde secretaris-generaal Pérez de Cuellar eerder dit jaar dat er een groeiende overtuiging bestaat dat de verdediging van onderdrukking op grond van morele overwegingen belangrijker kan zijn dan landgrenzen en wettelijke documenten. De humanitaire interventie ten behoeve van de Koerden in Noord-Irak is hier een sprekend voorbeeld van. Bij deze operatie werden maar liefst drieëntwintig militairen uit dertien landen ingezet. Op dit soort crisissituaties is het defensie-apparaat bij uitstek toegesneden: gedisciplineerd en getraind personeel dat over grote voorraden voedsel, medicijnen, brandstof, bouwmaterialen en tenten beschikt en de transportmiddelen (over land, zee en door de lucht) om dit in te zetten.

Ten tweede. In de Verenigde Staten wordt de illegale drugshandel al jarenlang als een bedreiging van de nationale veiligheid beschouwd. Hoewel de bestrijding hiervan primair een taak is van civiele overheidsorganisaties als het ministerie van justitie, de douane en de kustwacht, vervult de Amerikaanse defensie al sinds 1981 een ondersteunende rol. Onder meer betreft dit het toezicht op het vlucht- en zeeverkeer naar het zuiden van de Verenigde Staten en het onderscheppen van drugstransporten aan de Amerikaanse grens. Vorig jaar trok de Amerikaans krijgsmacht meer dan honderdduizend vlieguren en ruim tweeduizend vaardagen uit voor patrouilles ter opsporing van drugstransporten. Nu deze transporten in toenemende mate Europa als eindbestemming kregen, is het niet verwonderlijk dat de Verenigde Staten Europese landen om assistentie vragen.

Tot slot. Reeds in 1977 constateerde een deelrapport van de stuurgroep maatschappelijke invloeden in de krijgsmacht dat ook buiten de militaire kernfuncties een nieuw beleid zou kunnen worden ontwikkeld met de erkenning dat het hier niet om taken gaat van slechts ondergeschikte en incidentele aard. De veranderde veiligheidssituatie biedt daar nu alle gelegenheid voor.