De herinnering van een verliezer

Degenen die aan de foute kant van een historische afrekening terecht komen wordt meestal het recht van spreken ontzegd. Ze hebben verloren, maar zijn nog in leven, dus wat hebben ze te klagen? De onfortuinlijke Duitsers in het Oosten is dat tweemaal achtereen overkomen en men begrijpt dat ze zwijgen als het graf. Terwijl ze veertig jaar lang plaatsvervangend boete deden, verzuchtten hun landgenoten in het Westen dat de deling nu eenmaal de prijs was die betaald moest worden voor de oorlogsmisdaden en dat verzet daartegen wel erg onbeschoft zou zijn jegens de overwinnaars.

Een van de weinige Westduitse schrijvers die zich halsstarrig tegen dit allerminst belangeloze realisme bleven uitspreken was Martin Walser. Het radicale van zijn houding was dat hij niet enkel de DDR, maar ook de Bondsrepubliek als een onhoudbaar artefact beschouwde. Ook toen niemand meer de eenheid onder ogen durfde te zien, sprak hij over zijn "historische behoefte aan Thüringen en Sachsen'. Honende commentaren waren zijn deel.

Walsers wantrouwen richt zich tegen de traditieloze burger van de Bondsrepubliek, die gelooft in de Stunde Null, een maagdelijk begin. Het vergeten brengt wel verlichting, maar men kan niet doen alsof Duitsland na 1945 ophield te bestaan. Walser schreef in 1979: “De overlevenden en de familieleden van de slachtoffers worden als door een kunstgreep plotseling alleen nog geconfronteerd met ontspannen, moderne en van alle verplichting ontheven individuen. Duits, wat is dat? Oost? West? Het Duitse volk? Nooit van gehoord”. Tegenover degenen die beweren dat na Auschwitz nooit meer van Duitsland gedroomd mag worden, zegt hij, dat de oorlogsschuld slechts betekenis heeft voor hen die nog enige liefde voor hun land kunnen opbrengen.

De eenheid kwam, maar de vraagstelling van Walser blijft haar waarde behouden, want in het nieuwe Oost-Duitsland is het verlangen naar een tweede Stunde Null zo mogelijk nog sterker dan in 1945. En in het oude West-Duitsland denken de meesten dat ze zonder deze historische ballast in het Oosten beter af zouden zijn.

Ook in Walsers nieuwe, omvangrijke roman Die Verteidigung der Kindheit, die misschien wel zijn opus magnum is, gaat het om de haast wanhopige poging om de draden met het verleden niet geheel te laten breken. Hij beschrijft de levensgeschiedenis van Alfred Dorn, eigenlijk het verhaal van iemand voor wie het leven boven alles een voortdurende vernietiging van de geschiedenis is. “Dezelfde blijven, dacht hij verbeten tegen alle ontwikkelingsfanatici in, niets anders dan dezelfde blijven, dat is voldoende”.

Alfred Dorn is een verliezer van alle tijden en plaatsen - "het geheim van het volwassen-worden: men went eraan een mislukkeling te zijn' - maar zijn verhaal wordt nog eens uitvergroot op het scherm van een natie die het onderspit heeft gedolven. Het decor van het naoorlogse Oost-Duitsland is mistroostig kaal. Het stof van de ruïnes van het gebombardeerde land nestelt zich in de neusgaten, de smoezelige armoede van de half gelukte wederopbouw dringt zich aan de lezer op.

De cesuur in het leven van Alfred Dorn is de dertiende februari 1945, de dag van het zinloze bombardement op het stadscentrum van Dresden. Die gebeurtenis is - ondanks literaire aanklachten als Slaughterhouse-Five van Kurt Vonnegut - uit het geallieerde geheugen gewist, terwijl het toch niets minder was dan een massamoord, die geen enkel militair doel diende. Honderd- tot tweehonderdduizend mensen kwamen om, waarvan het merendeel door verstikking in de vuurzee. Maar iedereen weet dat de geschiedenis niet door de verliezers wordt geschreven. De gebeurtenis zelf figureert in de zijlijn van Walsers' epos, maar de echo ervan dreunt door in de Werdegang van Alfred Dorn of liever in diens weigering om het leven te leven.

Tijdens het bombardement zijn de familiebezittingen vernietigd, er is niets meer dat aan vroeger herinnert, geen tastbaar spoor dat er ooit leven voor die dag is geweest. Alle foto's zijn verbrand. Natuurlijk weet Alfred Dorn dat het onzinnig is om temidden van alle verschrikkingen, te klagen over deze beelden van het verleden, maar toch ... Zijn leven wordt in beslag genomen door pogingen om de verloren gegane herinneringen te achterhalen.

“Er was geen troost. Geen verdeling van de pijn. Geen betekenis. Sinds de aanval van negen jaar geleden. Naderhand als hij de oude straten terug probeerde te vinden drong de schok pas tot hem door. Hij voelde zich in de steek gelaten. Geen enkel verlies maakt zo duidelijk wat verlies is als het verlies van het verleden. Misschien ontstaat zo eenzaamheid”.

De enige binding die Alfred Dorn met de buitenwereld aangaat is de verering van zijn moeder. Daarin vindt hij bescherming tegen een wereld die de zijne niet is en dat ook nooit meer zal worden. Verdwaald tussen Oost en West, losgesneden van zijn kindertijd, boezemt het gedeelde land hem geen enkel vertrouwen in. “Dat was eigenlijk zijn normale toestand: tussen twee onmogelijkheden te leven. Zijn moeder was de enige aan wie hij dat kwijt kon. Aan haar legde hij alle treurnis voor, en omdat hij dat mocht, hield hij van haar. Ook daarom!”

Als zijn moeder sterft begrijpt hij pas goed dat zij de enige drager van zijn verleden was. Van dat moment af klampt Alfred Dorn zich meer dan ooit vast in zijn streven om de herinnering vast te leggen. De verdere inrichting en het onderhoud van zijn privémuseum is levensdoel geworden. Stad en land belt hij af op zoek naar oude foto's waar hij als kind op afgebeeld staat. Het meubilair van zijn moeder moet worden bewaard en na haar dood worden al haar kleren tot en met haar onderjurk zorgvuldig weggeborgen. Een afgietsel van haar handen staat binnen oogbereik.

Ondanks alle moeite blijft het leven van voor het bombardement een witte vlek, het ongeschonden Dresden ontsnapt aan zijn graaiende geheugen. “Misschien was het een teken van uitputting, dat hij nu vaker in de hoop leefde, dat de voorbereiding die zoveel kracht vergde eigenlijk datgene was waartoe de voorbereiding diende: de verdediging van de kindertijd tegen het leven”.

Zijn verzamelwoede beperkt zich intussen allang niet meer tot het verleden in Dresden, maar probeert het onverdragelijke heden bij te houden en eigenlijk voor te blijven. Dagelijks noteert Alfred Dorn nauwgezet alle gesprekken die hij voert, bewaart hij plastic vorkjes waarmee hij gebak eet. Wat hem op 13 februari 1945 is overkomen, dat zal hem nooit meer gebeuren. Tenslotte smoort het leven in rituelen, die de wanhopige boekhouding van het verleden moeten vergemakkelijken.

De moraal van Walsers roman is tweeledig. De verliezer heeft geen eigen geschiedenis, geen eigen verleden. Dorns museum zal nooit verrijzen, hoezeer hij ook zijn best doet. Hij verliest zijn gevecht om de herinnering hopeloos. Alfred Dorn gaat aan zijn speurtocht tenonder, maar toch is dit verlangen naar continuïteit noodzakelijk. Ook de verliezers moeten weer het woord nemen. Walser dwingt sympathie af voor deze aan zijn moeder hangende, hypochonder die het leven ontwijkt, omdat hem een verleden ontbeert. Want hij weet: "Wie een traditie radicaal afwijst, is er meer aan gebonden, dan iemand die de traditie mild koestert'. Ook al is het ondoenlijk, toch mag Dorns zoeken niet opgegeven worden. Door zijn op de traditie betrokken levenshouding doorgrondt Walser de onwaarachtige moraal van de Stunde Null beter, dan vele van zijn schrijvende generatiegenoten. En daarom ook is hij de deling van zijn land tegen beter weten in blijven wantrouwen.