A. Westerlaken, nieuwe voorzitter CNV; Robuust in denken, doen en laten

Medio 1992 neemt A. Westerlaken de CNV-voorzittershamer over van H. Hofstede. De 36-jarige Westerlaken wordt de eerste voorzitter van de christelijke vakbeweging die geen lid is van het CDA of de protestantse voorlopers. De nieuwe koers? “Met de rug naar Den Haag gaan staan en het land in.” Bij de FNV (1 miljoen leden) bestaat de verwachting dat het CNV (320.000 leden) onder Westerlaken “meer oog zal hebben voor de meerwaarde van samendoen”.

De waarschuwing van de voorlichter van het Christelijk Nationaal Vakverbond klonk veelbelovend. Het gerucht gaat, zei hij, dat onze nieuwe voorzitter lid is van de PvdA. Nou, zo verzekerde hij, dat is beslist niet zo.

Het zou opmerkelijk zijn geweest: een PvdA-lid als voorzitter van de christelijke vakcentrale in een tijd waarin de FNV steeds minder graag wordt herinnerd aan haar bloedverwantschap met de PvdA.

Maar is het al niet opmerkelijk genoeg dat het CNV volgende maand - voor het eerst in zijn ruim tachtigjarige geschiedenis - een voorzitter krijgt die geen lid is van het CDA of, eerder, van een van diens protestantse voorlopers, ARP of CHU?

Hij, Anton Westerlaken, is wel lid geweest. Eerst van de ARP en na de fusie met KVP en CHU nog “geruime tijd snurkend lid van het CDA”. Totdat hij “wakker werd” toen staatssecretaris L. de Graaf (sociale zaken), oud-CNV-bestuurder, begon te morrelen aan de koppeling tussen lonen, ambtenarensalarissen en sociale uitkeringen. Hij bedankte voor het CDA en zocht politiek onderdak bij de Evangelische Volkspartij (EVP).

Deze splinterpartij benaderde hem in 1989 als lijsttrekker voor de Tweede-Kamerverkiezingen. Hij dacht er serieus over na; en weigerde. Inhoudelijk had hij geen overwegende bezwaren tegen het programma waarmee de EVP de verkiezingen in wilde gaan. Per slot van rekening leken nogal wat passages klakkeloos te zijn overgenomen uit CNV-nota's. Maar het lijsttrekkerschap achtte hij onverenigbaar met zijn bestuursfunctie bij de vakcentrale. Bovendien zat daar zoveel schot in zijn carrière dat vertrek zou getuigen van ondankbaarheid - wat bijna een doodzonde is voor iemand die van huis uit vertrouwd is gemaakt en gebleven met de Heidelbergse catechismus.

Antonie Adrianus Westerlaken wordt op 13 februari 1955 geboren in Zuilichem aan de Waal bij Zaltbommel. Zijn vader drijft een gemengd tuinbouw- en akkerbouwbedrijf en zijn moeder heeft haar handen vol aan de vijf kinderen, drie jongens en een meisjes-tweeling. Anton is de oudste. Grootvader van moederskant woont bij hen in en ziet er, onder meer, op toe dat de beginselen van de Gereformeerde Bond worden gerespecteerd. Dit betekent ook dat Anton vaak bij de buren zit om televisie te kijken.

Mulo in Aalst, Havo in Gorinchem. De laatste jaren per brommer, gekocht van het geld dat hij verdient met aardbeien plukken. Lange tijd wil Anton onderwijzer of - nog liever - leraar worden. Maar een kennis op de karateclub die bij de politie is brengt hem op andere gedachten. De politie-academie in Apeldoorn blijkt te hoog gegrepen en hij start in 1974 zijn politie-carrière bij het Rotterdamse korps.

Met de mobiele eenheid, destijds vast onderdeel in de opleiding van nieuwkomers, begeleidt hij "supporters' van FC Utrecht en treedt hij op in Krimpen aan den IJssel waar de spanningen in de Molukse gemeenschap hoog oplopen. Terug in Rotterdam stoort hij zich aan de wijze waarop veel politie-agenten omspringen met arrestanten, vooral als het allochtonen betreft. Daar moet de politiebond wat aan doen, vindt hij en hij sluit zich in 1975 aan bij de Algemeen Christelijke Politiefederatie (ACP, later omgedoopt tot Algemeen Christelijke Politiebond en aangesloten bij het CNV). “Ik dacht: als ik daar actief in word, dan verandert het laakbare optreden jegens arrestanten in drie maanden”, zegt Westerlaken nu.

De "gedragscode' vergt veel meer tijd, maar zijn belangstelling voor het vakbondswerk is gewekt. Later wordt hij er twee jaar voor vrijgesteld van politiedienst, maar daarna moet hij kiezen. De “breedte van het vakbondswerk” geeft de doorslag en voor de ACP wordt hij in de regio noord-oost districtsbestuurder, een veelgebruikte entree voor een loopbaan in de vakbeweging. “Het was duidelijk dat deze gozer de maarschalkstaf in zijn ransel had”, zegt een oud-collega bij de Rotterdamse politie.

Vijf jaar bestiert Westerlaken - getrouwd en inmiddels vader van drie kinderen - het district vanuit standplaats Zwolle. En passant legt hij de basis voor de oprichting van de succesvolle Stichting Dienstverlening Medezeggenschap Politie. In 1986 benoemt het CNV hem tot secretaris op het hoofdkwartier aan de Utrechtse Ravellaan, platform voor de lancering van menig christelijk-protestants politicus, onder wie M. Ruppert, C.J. van Mastrigt, J. van Eibergen, B. Roolvink, J. Boersma, W. Albeda, J. Lanser, L. de Graaf, G. Terpstra, B. Pronk, H. van der Meulen en bijna dus ook A. Westerlaken.

Typisch doe-mens. Keiharde werker. Enorm werkpaard. Gewoon een sneltrein. Robuust in denken, doen en laten. Een selectie van kwalificaties uit CNV-gelederen over de kandidaat-voorzitter. Kritiek is er niet, of het moet zijn dat hij “een tikkeltje eigenwijs” is of zich gedraagt als “een-hollen-en-stilstaan-manager”, die in zijn enthousiasme de neiging heeft “wat al te ver voor de muziek uit te lopen”. Maar dan wordt er meteen aan toegevoegd dat men “een voorzitter die af en toe moet worden afgeremd” verre prefereert boven eentje die “af en toe een trap onder zijn hol moet hebben”.

Westerlaken maakt deel uit van een nieuwe generatie bestuurders, die zich volgens de bedrijfssocioloog professor H.J. van Zuthem kenmerkt door “een hele open benadering, weinig dogmatisme ten aanzien van sociale vraagstukken en sterk hechtend aan democratisering in bedrijven”. Van Zuthem heeft ze als rector van de CNV-kaderschool allemaal langs zien komen: G. Verburg (hoofdbestuurslid), A.J. de Geus (idem), P. Cammaert (idem), D. Terpstra (beoogd voorzitter van de Industrie- en voedingsbond), M. Blijleven (voorzitter ACP) en A. Westerlaken, op twee na allen lid van het CDA.

Het is ook de lichting die niet meer belast is met het mislukken van de fusie tussen de vakcentrales NVV, NKV en CNV, begin 1974. Het CNV viel uit de FNV-boot. Niet alleen omdat het ruimte claimde voor eigen standpunten en overleg in eigen kring, maar ook omdat het kampte met de naweeën van een ernstige interne crisis, die door dezelfde Van Zuthem eind 1970 onbarmhartig was blootgelegd in het rapport "Een onbewegelijke Beweging'.

Het CNV, zo constateerde hij toen, had wel de mond vol van vernieuwing, maar was in feite zeer behoudend. Van de karikatuur van de vakbeweging, die in haar geestelijke bagage niet meer heeft dan een CAO en een populair-wetenschappelijke inleiding in de economie, is méér waar dan ik, ook na vele jaren ervaring met de kaderschool, voor mogelijk had gehouden, aldus Van Zuthem destijds in de Volkskrant.

In de luwte van het fusieproces tussen NVV en NKV, en versterkt met enkele "afvallige' katholieke bonden, krabbelt het CNV er weer bovenop. Het succes van het CDA, waarmee “een soort natuurlijke affiniteit” bestaat, verzekert de vakcentrale van toegang tot het machtscentrum waar de wissels worden gesmeerd voor een koerscorrectie: meer markt.

Zelf gaat Westerlaken de overstap van de ambtelijke ACP naar het meer in de marktsector opererende CNV goed af. Hij krijgt in korte tijd een indrukwekkend zware portefeuille toebedeeld en wordt daardoor bijna automatisch een van de vergadertijgers die de overlegeconomie schragen.

In CNV-kring dicht men hem een kardinale rol toe in de totstandkoming van compromissen met werkgevers in de Stichting van de Arbeid over onderwerpen als de bestrijding van de werkloosheid onder etnische minderheden (oktober 1990) of het gebruik van "arbeidsvoorwaardelijke prikkels' bij de terugdringing van het ziekteverzuim (oktober 1991). Maar dit beeld wordt door FNV'ers en werkgevers gerelativeerd. Zij zeggen: hij speelt die rol niet omdat hij Westerlaken is, maar omdat hij als vertegenwoordiger van een kleinere vakcentrale van nature gemakkelijker een tussenpositie kan innemen als er een conflict is of dreigt tussen de zwaargewichten onder de sociale partners.

Bij de FNV bestaat de verwachting dat het CNV onder Westerlaken “meer oog zal hebben voor de meerwaarde van samendoen”, zoals FNV-bestuurder J. Draijer het uitdrukt. Als de vakbeweging in de Sociaal-Economische Raad of in de Stichting van de Arbeid een standpunt voorbereidt en de vraag aan de orde komt of men datgezamenlijk zal doen of eerst afzonderlijk en daarna zal bezien of de standpunten bij elkaar passen, dan opteert het CNV onder aanvoering van H. Hofstede meestal voor de laatste variant. Diens opvolger zou daar, niet gehinderd door traumatische herinneringen aan de fusie-die-niet-doorging, “frisser en onbevangener” mee weten om te gaan.

Deze FNV-hoop stoelt ook op de ervaringen in de voorbije "hete herfst', waarin Westerlaken als actie-coördinator - op zijn blauw-zwarte motorfiets Suzuki VX 800 - van het CNV optrad en waarin samen met de vakcentrale MHP actie werd gevoerd tegen de plannen van het kabinet om in te grijpen in Ziektewet en WAO. Desnoods zou, zo werd afgesproken, naar het "vreselijke wapen' van de werkstaking worden gegrepen, een middel dat het van oudsher gouvernementeel ingestelde en op overleg ingerichte CNV bepaald niet op het lijf is geschreven. De woorden van oud-CNV-voorzitter Ruppert, die zijn organisatie in 1965 omschreef als “een beweging die niet begint met eisen, maar met bidden”, gelden wat dat betreft nog steeds.

Op het eerste gezicht lijkt de boerenzoon uit de Bommelerwaard "minder bevlogen' dan zijn voorgangers. Maar daarop moeten we ons, zo wordt van verschillende kanten beklemtoond, niet verkijken. “Hij straalt het minder uit, maar hij heeft het sterk in zich, al omkleedt hij het met pragmatisme”, zegt ACP-voorzitter en huisvriend Blijleven. Vrees voor "eenheidskoorts' hoeft de confessionele achterban dan ook niet te hebben. Naaste collega's in het vakbondswerk verwachten van Westerlaken veeleer een zwaarder accent op de "eigen identiteit'.

Een herprofilering die de christelijke vakbeweging van pas zou kunnen komen, nu zij de achterban niet veel meer te bieden heeft doordat er in Den Haag weinig meer te verdienen lijkt en voor de sociale zekerheid wordt gezocht naar een nieuwe verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en sociale partners.

Zelf wil Westerlaken daar, voor de algemene vergadering op 20 januari officieel over zijn benoeming beslist, niet op ingaan. Maar na het jongste PvdA-congres en de Algemene Politieke Beschouwingen lichtte hij in deze krant al wel een tipje van de sluier op: “We zullen onze energie anders moeten gebruiken: met de rug naar Den Haag gaan staan en het land in. We zullen veel meer energie moeten steken in de onderhandelingen met de werkgevers. We kunnen niet langer de hele Nederlandse samenleving op de schouders nemen”. Een bekentenis die de vraag oproept wat de vakcentrale straks nog te bieden heeft, maar die door de CNV-bonden in elk geval juichend werd begroet. Zij hadden hem al vaker voorgehouden: “Anton, hou nou toch eens op met dat verhaal over centrale sturing. Dat is echt niet meer van deze tijd”.