Zeeuws Statenlid moet weg; CDA-fractie wil snel herstel van werkverhouding

MIDDELBURG, 14 DEC. De positie van het statenlid J.A. de Boe in de Zeeuwse Staten is onhoudbaar geworden. Gisteravond besloot een ruime meerderheid van de CDA-afdeling Zeeland dat hij de fractie van de christen-democraten moet verlaten. De CDA-afdeling onderschrijft hiermee de aanbeveling van een onderzoekscommissie die vindt dat De Boe moet opstappen om de volkomen verstoorde verhoudingen binnen de Zeeuwse partij te zuiveren.

De commissie stond onder voorzitterschap van oud-minister C.P. van Dijk. De Boe liet gisteravond weten gewoon als statenlid te blijven zitten en zijn termijn af te maken. De crisis binnen het Zeeuwse CDA kwam naar buiten naar aanleiding van de Zeeuwse belastingaffaire: vier van de zes gedeputeerden werden daarbij begin dit jaar tot aftreden gedwongen, omdat zij de Staten om de tuin hadden geleid bij de besluitvorming over naheffingen van de belasting op hun inkomen en dat van voorgangers. De naheffingen werden uit de provinciekas betaald.

De Boe was een van de twee gedeputeerden die bij de affaire buiten schot bleven. De Commissie-Van Dijk oordeelde echter dat hij zich tijdens het onderzoek naar de kwestie oncollegiaal jegens de andere leden van zijn college had gedragen. Hij zou dit hebben gedaan uit revanche, nadat hij bij eerdere kandidaatstellingen gepasseerd was. Zijn houding heeft, aldus de commissie, in belangrijke mate bijgedragen tot de ernstige problemen binnen de partij. Bovendien beloofde, volgens de onderzoekers, zijn "starheid' en "onverzoenlijkheid' weinig goeds voor de toekomst. In het rapport werd De Boe dringend verzocht op te stappen.

Een aantal CDA-leden vond gisteravond dat De Boe erg hard was aangepakt. Zij wilden tijdens de vergadering niet zover gaan de aanbeveling tot zijn vertrek over te nemen. Volgens voorzitter A. Verbree van de afdeling was daar juist alle reden toe. Hij wil zo snel mogelijk beginnen met een grote schoonmaak binnen zijn partij, om weer te komen tot "werkbare verhoudingen' en, zo gaf hij aan, De Boe zou zich nog steeds rancuneus opstellen jegens partijgenoten.

De partijvoorzitter doelde daarmee op een brief die De Boe eerder ter verdediging schreef aan het landelijk CDA-bestuur. Hij haalde daarin uit naar de twee huidige CDA-gedeputeerden die volgens hem over magere diploma's beschikken voor hun tegenwoordige functie. In het Rapport-Van Dijk was De Boe zelf verweten "weinig vooropleiding en ervaring' te hebben voor een zware baan als gedeputeerde.