Werken

HET SOLLICITATIEGESPREK loopt ten einde, alles is naar bevrediging geregeld. Bij de deur draait de aspirant-medewerker zich om en vraagt aan de personeelschef: o ja, hoe staat het met mijn arbeidskostenforfait?

Nederland heeft een arbeidsmarkt waarop het verschil tussen een uitkering en een inkomen op het minimumniveau bestaat uit een fiscaal foefje: de arbeidstoeslag op de belastingvrije voet. Wie werkt verdient daardoor netto iets meer dan iemand met een uitkering, terwijl de fictie van de brutokoppeling tussen minimumloon en uitkeringen in stand wordt gehouden.

Deze gekunstelde loonvorming is een van de vele aanwijzingen dat de onderkant van de Nederlandse arbeidsmarkt gebrekkig functioneert. Een paar van die tekortkomingen kwamen deze week aan de orde tijdens de behandeling van de begroting van Sociale Zaken in de Tweede Kamer. Tegen de zin van minister De Vries (CDA), stelde CDA-woordvoerder De Jong enkele lang gekoesterde opvattingen over het minimumloon ter discussie.

De PvdA-fractie reageerde verbaasd op de standpunten van de coalitiegenoot, maar dat was grotendeels gespeelde verontwaardiging. Want fractieleider Brinkman had tijdens de algemene beschouwingen ook al opmerkingen gemaakt over de bevriezing van het minimumloon. Bij het CDA is het besef doorgedrongen dat de verhouding tussen werkenden en niet-werkenden in Nederland volstrekt uit het lood is geslagen en dat Nederland, na Spanje, de laagste arbeidsparticipatie van West-Europa heeft. Het vooruitzicht dat voor het einde van de eeuw iedere werkende één niet-werkende zal moeten onderhouden, is alarmerend. Het tast niet alleen de concurrentiepositie van Nederland aan, doordat de sociale premies tot extreem hoge loonkosten zullen leiden, het trekt ook een enorme wissel op de bereidheid tot solidariteit tussen mensen met en zonder baan.

Begin dit jaar heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in een geruchtmakende studie, Een werkend perspectief, voorgesteld het minimumloon met 30 procent te verlagen, omdat de hoogte ervan nog altijd gebaseerd is op het kostwinnersbeginsel van een gezin (man, vrouw, twee kinderen). Dat is een achterhaalde grondslag, want de meeste minimumloners zijn alleenstaande jongeren of tweeverdieners. Voor gezinnen die moeten leven van één minimumloon stelde de WRR een toeslag voor.

Een meerderheid in het kabinet wees het WRR-plan af en opmerkelijk genoeg liepen de scheidslijnen dwars door de coalitiegenoten heen. Maar nu de werkloosheid weer begint op te lopen en Nederland het komende jaar de laagste groei van alle EG-landen te wachten staat, hebben de christen-democraten het beproefde middel om met lagere loonkosten banen te scheppen, weer op de Kameragenda geplaatst. De CDA-fractie wil het minimumloon vanaf 1993 bevriezen, zodat het voor werkgevers goedkoper wordt om laaggeschoolde werknemers in dienst te nemen. Alleen minister De Vries is nog niet zover: hij wil met een hogere arbeidstoeslag de prikkel vergroten om van een uitkering op een baan over te stappen. Maar omdat de bruto loonkosten dan gelijk blijven, zullen werkgevers niet direct extra minimumloners in dienst nemen.

LOONMATIGING en bevriezing van het minimumloon hebben in de jaren tachtig een indrukwekkende hoeveelheid nieuwe banen opgeleverd. Vooral laaggeschoolden en allochtonen die op de arbeidsmarkt beginnen, zijn aanvankelijk aangewezen op laagbetaalde banen. Een baan is bovendien een betere vorm van integratie dan het uitkeringsloket. Maar het Nederlandse uitkeringsstelsel maakt de marktwerking aan de onderkant van de arbeidsmarkt nagenoeg onmogelijk. Door het geringe inkomensverschil blijven uitkeringstrekkers gevangen in de armoedeval, terwijl minimumloners uit de markt geprijsd worden omdat hun bruto loonkosten eigenlijk te hoog zijn.

Nederland staat de concurrentieslag in een open Europese markt te wachten. Drempels voor toetreding tot de arbeidsmarkt, herverdeling van inkomens tussen werkenden en niet-werkenden met de bijbehorende hoge sociale premies zullen de Nederlandse positie geen goed doen. Het alternatief is vergroting van de arbeidsparticipatie door meer mensen aan werk te helpen tegen een betaalbaar loon. Het is de keuze tussen steeds meer verdelen of werken aan welvaart.