Weinig animo voor Taiwans grote ambities

De regering van Taiwan heeft ambitieuze plannen voor de verdere ontwikkeling van de nationale economie. Heel Taiwan heeft er baat bij, stelt ze. Maar particuliere investeerders staan niet te trappelen.

Als je toch in de file moet staan, dan kun je beter in een Mercedes of Cadillac zitten dan in een klein autootje, vindt een aantal van de 2,7 miljoen inwoners van de Taiwanese hoofdstad Taipei. Dus zetten ze met buitenmodel automobielen het verkeer nog vaster dan het al staat.

De economische groei en de individuele welvaart hebben Taiwan enigszins overvallen, meent Arthur Y. Chen, uitvoerend secretaris van de Raad voor toezicht op openbare werken. “Toen we in 1974 de eerste snelweg in gebruik namen, hadden we 40.000 auto's. Tegenwoordig zijn het er twee miljoen.”

Taipei probeert nu met man en macht de congestie- en milieuproblemen (uitlaatgasnormen zijn er niet) het hoofd te bieden. Nieuwe snelwegen worden aangelegd boven bestaande uitvalswegen, de bouw van een metro vordert gestaag. “Eigenlijk”, zo geeft Chen toe, “zijn we er te laat mee. Die metro had er tien jaar geleden al moeten zijn. Maar het is moeilijk om de snelheid van de ontwikkelingen op elk terrein te voorzien.”

Op dit moment strekt de visie in ieder geval zes jaar ver. Een jaar geleden presenteerde de Taiwanese regering een nationaal ontwikkelingsprogramma dat tot het jaar 1997 voorziet in investeringen ter grootte van 8,2 biljoen New Taiwan dollar, circa 320 miljard Amerikaanse dollar ofwel bijna 600 miljard gulden. Tweederde van dat bedrag wordt besteed aan "hardware': verbetering en uitbreiding van de fysieke infrastructuur (energiecentrales, wegen, nieuwe industriegebieden). De rest is bedoeld voor immateriële zaken als cultuur, recreatie, onderwijs, medische zorg en sociale zekerheid, die “de kwaliteit van het leven” van de ruim twintig miljoen Taiwanezen moeten verhogen.

Ambitieus? “Welnee”, zegt Tzu-Kan Tsui, vice-voorzitter van de Raad voor economische planning en ontwikkeling. “Als we projecten zouden uitstellen of afstellen, dan zou de economische groei vertragen. De 200 miljard dollar voor investeringen in kapitaalgoederen vormt overigens slechts 13,8 procent van ons bruto nationaal produkt. In de jaren zeventig investeerden we vijftien procent van het BNP in de infrastructuur.” Waarbij moet worden aangetekend dat het BNP zelfs in 1979 nog geen kwart was van het huidige.

De allesoverheersende idee achter de enorme bestedingen is dat het gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking, vorig jaar 8000 Amerikaanse dollar (ruim 14.000 gulden), in 1996 moet uitkomen op 14.000 dollar (25.000 gulden). Ter vergelijking: het inkomen per hoofd van de Nederlandse bevolking bedroeg vorig jaar 34.000 gulden. Waar men in Nederland al blij is met 2,5 procent groei per jaar, tekent de overheid in Taiwan voor ruim 7 procent.

Het Taiwanese investeringsbedrag is aan de doelstelling van 14.000 dollar inkomen per inwoner gerelateerd. Chen: “Een Amerikaanse bankier heeft eens uitgerekend dat je per 1000 dollar extra inkomen 2500 dollar in je infrastructuur moet steken. Een stijging met 6000 dollar vergt dus investeringen van 15.000 dollar. Vermenigvuldigd met twintig miljoen Taiwanezen heb je dan 300 miljard dollar nodig.”

De plannen hebben mondiaal aandacht getrokken. Delegaties van het bedrijfsleven uit de Verenigde Staten, Japan en Europa, al dan niet informeel begeleid door overheidsfunctionarissen, hebben inmiddels in Taipei acte de présence gegeven. Ook staatssecretaris mr. Y. van Rooij, buiten Nederland minister van buitenlandse handel, is van plan zich in dat koor te voegen. Wegens de gevoelige relatie met de Volksrepubliek China, dat Taiwan als afvallige provincie beschouwt, zal zij haar handelsbevorderende werkzaamheden “als privé-persoon” verrichten tijdens haar “vakantie” op het eiland tussen de Zuid- en Oostchinese zeeën.

Behalve de omvang van de beoogde investeringen, maakt ook de zekerheid dat Taiwan buitenlandse hulp nodig heeft zijn ontwikkelingsplannen interessant. Hoewel de overheid het niveau van de lokale industrie met allerlei stimuleringsregelingen tracht op te vijzelen, is Taiwan voor veel geavanceerde apparatuur en kennis afhankelijk van import.

Taiwan wenst niet te stikken in zijn eigen succes

Chen: “Ik schat dat we in ieder geval dertig miljard Amerikaanse dollar uitgeven voor de import van grote generatoren en turbines, materieel voor een hoge-snelheids spoorlijn en telecommunicatie-apparatuur. Installaties voor vuilverbranding en andere milieuvoorzieningen zullen we samen met buitenlandse partners moeten ontwikkelen. Daarnaast hebben we ontwerpers, technici en managers nodig voor de ontwikkeling en aanleg van zware civiele constructies.”

Taiwans behoefte aan buitenlandse technologische kennis en apparatuur is niet de enige reden voor ruime internationale belangstelling. Oost-Europa, groter en talrijker in bewoners dan Taiwan, heeft ook behoefte aan verbetering van de (industriële) infrastructuur, aanpak van de milieuproblemen en verbetering van de leefomstandigheden. Daar blijft de assistentie van het bedrijfsleven uit beter ontwikkelde landen echter minimaal. Het verschil is geld. Veel geld.

Taiwan beschikt - na Japan - over de grootste voorraad deviezen ter wereld. Volgens Samuel Shieh, gouverneur van de centrale bank in Taipei, ligt er een stapel biljetten in zijn kluizen ter waarde van 78 miljard Amerikaanse dollar. Het land kent bovendien een spaarquote van 29 procent.

Shieh merkt op dat het geenszins de bedoeling is dat de overheid alleen opdraait voor de kosten van het zesjarenplan. Voor elk van de bijna 800 gedefinieerde projecten wordt de financiering afzonderlijk bekeken. De overheid kan investeringen uit eigen kas betalen, maar ze kan ook buiten de begroting om obligaties uitgeven. Op de particuliere investeerder zal in ieder geval een groot beroep worden gedaan.

Dat daardoor niet keihard kan worden gegarandeerd dat de beoogde bestedingen worden gedaan en alle projecten daadwerkelijk uitgevoerd, is niet relevant, meent Shieh. “Het programma geeft de richting van onze ontwikkeling aan en selecteert gebieden die bijzondere aandacht behoeven.” Het is dan ook ook geen geïsoleerde poging iets geheel nieuws voor een strikt van 1991 tot en met 1996 beperkte periode te verzinnen. Het plan sluit deels aan bij lopende projecten, het omvat ook initiatieven die tot ver voorbij 1996 strekken.

Hoewel de overheid op dit moment pas voor projecten ter waarde van circa 320 miljard gulden het groene licht heeft gegeven en de financiering in veel gevallen nog onduidelijk is, is twijfel aan de noodzaak ervan nergens te bespeuren. Niet bij de regeringspartij Kwomintang, niet bij de oppositie, niet bij het binnen- en buitenlands bedrijfsleven in Taiwan.

“Jarenlang hebben we een sterke, misschien bovenmatige nadruk gelegd op de bevordering van onze export”, zegt Tzu-Kan Tsui van de Raad voor economische planning en ontwikkeling. “Milieuzorg, verbetering van de infrastructuur, cultuur, recreatie - we negeerden het. Daardoor waren we in staat op de internationale markt te concurreren.”

De prijs daarvoor moet nu worden betaald, meent Tsui. Omdat de wal het schip onvermijdelijk keert: de bevolking pikt de overvolle wegen, de dode rivieren, de verpeste lucht, ontoereikende rioleringen en smeulende vuilnisbergen aan de rand van de stad niet meer. Bovendien willen meer mensen profiteren van de verworven nationale rijkdom; hoog op hun verlanglijst staan betere scholing, bibliotheken en sportfaciliteiten, sociale voorzieningen. En een betere geografische spreiding van de economische ontwikkeling, waarvan de voordelen het platteland goeddeels zijn onthouden.

Voor aanhoudende economische groei is het zesjarenplan bovendien gewoon nodig, menen de deskundigen. Oplossing van de knelpunten in de geïndustrialiseerde en verstedelijkte gebieden is dringend geboden, anders stikt Taiwan in zijn eigen succes. De ontwikkeling van nieuwe zones waar hoogwaardige economische activiteit kan worden ontplooid, biedt kansen. Daarvoor zijn een adequate transportinfrastructuur, schoon water, voldoende energie en goedgeschoold personeel - het belangrijkste bezit van het grondstofarme Taiwan - belangrijke voorwaarden.

De tijd dat Taiwan met goedkope geïmiteerde produkten de wereldmarkten afstroopte, is vrijwel voorbij. De produktiekosten in het land zijn daarvoor te hoog geworden. Door de snelle groei is er nagenoeg geen werkloosheid; het recente percentage van 1,56 betreft alleen frictiewerkloosheid. Die krapte op de arbeidsmarkt leidde de voorbije jaren tot loonstijgingen van gemiddeld tien procent. Ook de grondkosten nemen enorm toe - een van de redenen dat Taipei tegenwoordig na Tokio als duurste stad ter wereld geldt. Een vierkante meter grond op een toplokatie in de Taiwanese hoofdstad kan tot 20.000 dollar kosten - Amerikaanse dollars, wel te verstaan. De grondprijzen op het platteland zijn de laatste drie jaar verdubbeld.

Taiwanese ondernemers die hun waren alleen op basis van prijs kunnen slijten, hebben de afgelopen jaren allang fabrieken gebouwd in Thailand, Maleisië, de Filippijnen of Indonesië. Sinds het officiële verbod op contacten met de "vijandige' Volksrepubliek China in 1987 werd versoepeld, hebben Taiwanezen er voor miljarden geïnvesteerd. De arbeidskosten liggen er op een tiende van die in Taiwan. Mede hierdoor is Taiwan - opnieuw: na Japan - de tweede buitenlandse investeerder in Azië geworden.

Het eiland zelf zoekt het nu in de ontwikkeling van geavanceerde, kennisintensieve industrie (elektronica, lucht- en ruimtevaart, waarin Taiwan meent twintig procent goedkoper te kunnen opereren) en verhoging van de produktiviteit. Dat kan worden bereikt door automatisering in bestaande industrieën en fabricage van hoogwaardiger produkten, efficiënter gebruik van landbouwgrond en verbeteringen in de dienstensector (door bevordering van concurrentie tussen banken en verzekeraars, en privatisering.)

De regering maakt zich verder sterk voor het opzetten en uitbreiden van centra voor wetenschappelijk en technologisch onderzoek. De uitgaven eraan betreffen overwegend toegepast onderzoek, dat zijn geld weer snel oplevert. Basisresearch laat Taiwan graag over aan Europa en de Verenigde Staten.

“Op dit moment geeft Taiwan 1,3 procent van zijn bruto nationaal produkt (162 miljard dollar in 1990, red.) uit aan onderzoek en ontwikkeling”, meldt dr. Ching-Piao Hu van de Nationale raad voor wetenschap. “We hebben nog een lange weg te gaan. In de ontwikkelde wereld ligt dat percentage tweemaal hoger. Wij hopen op twee procent in 1996.”

Daarbij streeft de overheid, die zestig procent van het onderzoeks- en ontwikkelingswerk betaalt, naar grotere betrokkenheid van ondernemingen. Over vijf jaar wil zij dat het bedrijfsleven zestig procent van de R&D financiert. Een belemmering daarbij is dat Taiwan weinig echt grote en onzettend veel kleine ondernemingen heeft. “Die kunnen niet veel investeren”, weet Hu.

Volgens de Nederlander Piet Klaver, president van de groothandelsketen Makro in Taiwan, is Taiwan op de goede weg. De technocraten van de Kwomintang, voor een deel gepromoveerden aan gerenommeerde Amerikaanse universiteiten als Harvard, leiden het land als een grote onderneming. Ze hebben een duidelijk doel voor ogen, en weten zich door het ontbreken van een effectieve oppositie nauwelijks geremd bij het bereiken ervan.

“Taiwan heeft het best opgeleide kabinet ter wereld. Klasse-kerels, die in de wereld hebben rondgekeken en weten waar Abraham de mosterd haalt”, zegt hij met onverholen bewondering. “Infrastructuur en milieu zijn de grote problemen en ze doen er wat aan. Dat is geen humbug - je ziet het werk aan de nieuwe snelweg en de metro. En het bureau voor milieubescherming heeft de eerste fabrieken inmiddels gesloten.”

De opwaardering van de eigen Taiwanese industrie beschouwt Klaver als een "must'. “Iedereen weet dat het land alleen overleeft als het in staat is een eigen identiteit te creëren; merken als Acer-computers of Giant-fietsen. Er wordt ook meer gefuseerd; er gaan nu zes of zeven bedrijven samenwerken om een "Japanse' camera te maken. En de fabrieken veranderen. Planning, management en kwaliteitscontrole zijn de laatste jaren aanmerkelijk verbeterd.”

Toch zijn er beren op de weg. De belangrijkste hindernissen bij de uitvoering van het zesjarenprogramma lijken de bureaucratie en het aantrekken van particuliere investeerders. Een enkele Nederlandse ondernemer noemt als mogelijke complicaties nog de voorgenomen privatisering van staatsbedrijven, de overgang naar kennisintensieve produktie en handelsproblemen als gevolg van het grote exportoverschot richting VS. Maar dat is koffiedik kijken. Evenmin is duidelijk of strubbelingen met de Volksrepubliek China en groeiende politieke tegenstellingen in Taiwan zelf het programma zullen beïnvloeden.

Volgens L.P. Hsu, bestuurder van Philips dat in Taiwan de grootste buitenlandse investeerder is, ontbeert het zesjarenplan samenhang. “Geld is het probleem niet, management wel”, zegt hij. “Met zoveel verschillende projecten, onder verantwoordelijkheid van allerlei ministeries, is continuïteit en een efficiënte inzet van mensen een probleem.”

De overheid zelf was aanvankelijk vooral bevreesd voor een tekort aan arbeidskrachten. Ze versoepelde daarom onlangs de verlening van tijdelijke werkvergunningen aan bouwvakkers uit de Filippijnen en andere ontwikkelingslanden. “Dat zal de snelheid van het programma niet meer beïnvloeden”, meent Arthur Chen. “Als we straks meer arbeid nodig hebben, is die er.”

Wel tobt hij met vertragingen in de uitvoering van de plannen. Dat wijt de overheid aan lastige burgers, die exhorbitant hoge prijzen voor hun grond willen hebben of milieubezwaren aanvoeren. De bouw van Taiwans vierde kerncentrale is daardoor nog steeds hoogst onzeker.

Het grootste probleem, vindt Chen, is het budget. “Het volk is rijk, maar dat gaat niet automatisch op voor de overheid. We hebben particuliere investeerders nodig.”

En die kunnen wel eens moeilijk te vinden zijn, vermoedt men op het Nederlands handelskantoor in Taipei. Daaraan is opnieuw de versplinterde structuur van het lokale bedrijfsleven debet. Alleen tussen de grote ondernemingen en de staat is veel verwevenheid.

De kleine ondernemer ondergaat overheid en politiek echter als het weer, meent Piet Klaver: “Het is er nu eenmaal en je verandert er niet veel aan.” Een Taiwanese ondernemer, aldus de Makro-manager, denkt net als andere Chinezen niet conceptueel. “Hij verandert snel, investeert niet in ervaring. In tegenstelling tot Japanners, die strategisch denken, zijn Chinezen puur commercieel ingesteld. Het zijn handelaren, die snel kunnen inspelen op kansen.” Maar investeren in projecten die zichzelf pas in vijftien of twintig jaar terugverdienen? Liever niet.

Reinout van Lennep, algemeen directeur van Europa's grootste bank in Taiwan, ABN Amro, constateert een snelle teruggang in "private investment'. “En het is nog onduidelijk of het zesjarenplan dit aanzwengelt”, meent hij. De regering mag dan beweren dat het plan alle Taiwanezen baat, de individuele ondernemer vreest vooral voor zijn eigen portemonnaie: een staat die moet lenen stuwt de rente op, en dat is slecht voor bedrijven die willen lenen om eigen investeringen te bekostigen. En de belastingen zullen ongetwijfeld ook stijgen.

Voor obligatieleningen, een weinig beproefd instrument in Taiwan, ziet van Lennep wel mogelijkheden. “De financiële markten zijn nu nog onderontwikkeld. Uitgegeven obligaties liggen tot nog toe als reserve bij de banken. Er is geen handel in. Maar ik zie als een van de grote kansen van het zesjarenplan dat nu serieus met de opbouw van een volwaardige kapitaalmarkt kan worden begonnen. Door de te verwachten grote hoeveelheden nieuwe staatsleningen die in de markt zullen komen, hebben wij goede hoop dat er ook een actieve secundaire markt in staatspapier komt, en dat als gevolg daarvan ook het bedrijfsleven een obligatiemarkt zal kunnen ontwikkelen.”

Van Lennep noch Klaver zijn pessimistisch over Taiwans toekomst. “Ach, dan duurt het acht jaar”, zegt Klaver, “als de economie de komende jaren met zeven tot acht procent blijft doorgroeien, dan zie ik weinig problemen.” En Van Lennep: “Al realiseren ze maar de helft van hun plannen, dan is het nog heel veel.”