WAAROM HOLLAND ZO WEINIG HEKSEN HAD

Toverij en samenleving. Holland 1500-1800 door Hans de Waardt 351 blz., geïll., Stichting Hollandse Historische Reeks 1991, f 65,- (bij abonnement op de Hollandse Historische Reeks f 70,- voor de twee delen die ieder jaar in deze reeks verschijnen) ISBN 90 72627 07 5

De afgelopen jaren is er een kleine historische bedrijfstak ontstaan waarbinnen men ijverig studie verricht naar hekserij en toverij in Nederland. Tientallen artikelen en verschillende bundels zijn inmiddels geproduceerd. Afgelopen jaar verscheen Willem de Blécourts Termen van Toverij, een theoretisch volledig, zelfs overdadig opgetuigd proefschrift. In meer dan driehonderd bladzijden behandelde hij zo'n tweehonderd gedocumenteerde gevallen dat in Drente iemand voor kol werd gescholden. Tussen 1500 en 1939, dat wel. Het heksen- en toverij-onderzoek kan tot een dergelijke graad van detaillering afdalen omdat men zich niet wil beperken tot de grote en geruchtmakende heksenprocessen, maar de gewone beleving van het geloof in toverij, en daarmee uiteindelijk de alledaagse mentaliteit, wil achterhalen.

Ook Hans de Waardts onderzoek naar toverij in de provincie Holland tussen 1500 en 1800 koestert deze ambitie. Zijn boek berust op een grote hoeveelheid onderzoek in de rechterlijke archieven van de provincie Holland en in die van een aantal kleinere steden daar. Daarnaast heeft hij her en der notariële en kerkelijke archieven geraadpleegd en de bestaande literatuur uitgevlooid. Zo komt hij aan zo'n tweehonderd betichtingen van toverij, uitgesproken in Holland tussen 1500 en 1800, die hun sporen in archieven hebben nagelaten. Grofweg de helft daarvan stamt uit zijn eigen archiefonderzoek, de rest uit bestaande literatuur. Methodisch rammelt er het nodige aan deze manier van selecteren.

In Holland zijn maar weinig heksen verbrand. De eerste processen werden rond 1500 aanhangig gemaakt. Toen drong de voorstelling door dat er mensen zijn die hun naasten kunnen schaden met behulp van vermogens die ze verworven hebben door een verbond met de duivel te sluiten. Pas rond 1540 verwierven de Hollandse rechtbanken de marteltechnische vakkennis die het mogelijk maakte mensen te laten bekennen dat zij aan hekserij gedaan hadden. Niet alleen herhaalde fysieke pijniging, maar ook verschillende psychologische technieken waren daartoe vereist, zoals het onthouden van slaap, het afscheren van al het lichaamshaar, het knippen van alle nagels, het aantrekken van nieuwe kleren, en het intimiderend gebruik van als heilig beschouwde kerkelijke zaken.

Al met al werden er in de zestiende eeuw in Holland zo'n dertig heksen ter dood gebracht. Dat is, in vergelijking met elders, heel weinig. De processen hielden er ook eerder op. De verklaring daarvoor is simpel. In 1593 deed de Hoge Raad een uitspraak in een beroepszaak, die het onmogelijk maakte om voortaan in hekserijprocessen met behulp van tortuur verkregen bekentenissen als bewijsmiddel te gebruiken. In 1594 verwierp de universiteit van Leiden in een advies de waterproef als een middel om heksen aan te wijzen. Daarna kon men in Holland alleen nog ter dood worden veroordeeld als heks na een volledig vrijwillige bekentenis. Dat schijnt één keer voorgekomen te zijn, in Gorinchem in 1608.

BINNEN DE WONING

Noch de Hoge Raad, noch de Leidse universiteit loochende het bestaan van heksen. De universiteit verwierp de waterproef onder andere juist met het argument dat de duivel machtig genoeg was om zijn trawanten op succesvolle wijze door deze beproeving heen te helpen. Het ging beide instanties er om dat een beschuldiging van hekserij niet op afdoende wijze bewezen kon worden.

Het is belangrijk hierop te wijzen. Hans de Waardt verbindt de beslissingen wèl met een algemene afname van het geloof in toverij. De uitgesproken beschuldigingen wekken de indruk dat het bereik van toverij rond 1600 kleiner was dan een halve eeuw daarvoor. Mensen werden er niet meer van beschuldigd hun naaste op economisch gebied schade te hebben berokkend. Ook werden mannen niet meer betoverd. Het doelwit van toverij lag voortaan binnen de woning, in het domein van de vrouw.

Deze omslag beschrijft De Waardt weinig subtiel als een overwinning van de rede op het bijgeloof, die het gevolg was van culturele en materiële vooruitgang. In Holland woonden veel mensen in steden, konden veel mensen rekenen, was de welvaart relatief groot. Onder dergelijke omstandigheden, zo meent hij, neemt het geloof in bovennatuurlijke krachten en daarmee dat in toverij af.

De Waardt verklaart met behulp van deze naïeve theorie zowel de geleidelijke en aanhoudende achteruitgang van het toverijgeloof tussen 1500 en 1800, als het einde van de processen en de verhuiselijking van de toverij in de laatste vijftien jaar van de zestiende eeuw. Maar de honderd-en-zoveel betichtingen van toverij na 1600 die De Waardt in de literatuur of de archieven gevonden heeft zijn simpelweg een te klein verschijnsel om zo'n ingrijpende mentaliteitsverandering op te funderen. Hier wreekt zich de hoge ambitie om aan de hand van een uiteindelijk toch tamelijk marginaal verschijnsel als toverijbetichtingen mentaliteitsgeschiedenis te bedrijven.

Het einde van de processen in de jaren 1590 lijkt eerder met politieke, dan met economische of sociaal-culturele factoren samen te hangen. De Waardt draagt zelf de gegevens aan waaruit blijkt hoe trots de politieke en culturele elite van de jonge Republiek was op het vroege einde van de heksenprocessen hier te lande. De archetypische calvinistische moralist Jacob Cats probeerde in zijn memoires te laten zien dat hij betrokken was bij het einde van de heksenprocessen. De Waardt merkt verontwaardigd op dat hij hier de waarheid geweld aandoet. Maar het verhaal geeft juist goed weer hoezeer voor Cats het einde van de processen hoorde bij de identiteit van de Republiek. Zoiets moet ook al een rol gespeeld hebben bij de leden van de Hoge Raad en de professoren van de Leidse universiteit in de jaren 1590 - de voorstelling dat de Republiek nu juist ontstaan was, dat de provincie Holland in opstand was gekomen, ter wille van een zorgvuldige procesgang en de bescherming van de burgers.