"Toestand van de Koerden is verbeterd'

Hoog in de bergen in het uiterste noordoosten van Irak, dichtbij de grens met Iran, heeft de Koerdische leider Jalal Talabani zijn hoofdkwartier opgeslagen. "Mam Jalal' (Oom Jalal), zoals hij liefkozend door zijn volgelingen wordt genoemd, houdt hier kantoor in een voormalig kamp van de troepen van zijn aartsvijand, de Iraakse president Saddam Hussein.

Er hangt een vredige sfeer in het kamp, de Koerdische verzetsstrijders, de peshmerga's, doen alles rustig aan, ze staan laat op, wassen zich op hun gemak, hangen overdag wat in de zon rond en kijken 's avonds langdurig naar de sinds kort te ontvangen Koerdische televisie.

Zo kalm als zijn manschappen zijn, zo druk is hun broodheer. In de werkkamer van de 58-jarige Talabani, leider van de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK), is het een komen en gaan van regionale leiders die advies komen uitbrengen of vragen over de toestand in hun gebied. "Mam Jalal' krijgt geen minuut rust.

KHALANCHALAN, 14 DEC. Voor het eerst sinds mensenheugenis zijn grote delen van Iraaks Koerdistan feitelijk autonoom geworden en het bestuur daarover stelt de Koerden voor veel onverwachte moeilijkheden. Vooral het economische embargo dat Saddam Hussein tegen de vrije Koerdische gebieden heeft afgekondigd brengt de bewoners in het nauw. De door het embargo van de Verenigde Naties toch al duur geworden levensmiddelen zijn nog veel kostbaarder geworden. Ook brandstof is plotseling schaars geworden. Niemand lijdt op dit moment honger, maar de winter is nog lang en er kan nog veel veranderen.

Volgens Talabani, die samen met Massoud Barzani van de Koerdische Democratische Partij (KDP) de voornaamste leider is van de Iraakse Koerden, zijn de motieven van Saddam Hussein duidelijk: “Ik beschouw de blokkade als een vorm van economische oorlogvoering tegen de Koerden. De Irakezen proberen Koerdistan op de knieën te krijgen door ze te laten verhongeren. Maar ik ben ervan overtuigd dat de bevolking hiertegen weerstand zal weten te bieden, ondanks de tekorten aan brandstof, voedsel en medicijnen. We zijn vastbesloten om ons tot het uiterste te verzetten. We doen een beroep op de internationale gemeenschap om deze winter een hongersnood in Koerdistan te helpen voorkomen.”

Bent u bang voor een nieuw groot offensief van de Iraakse strijdkrachten?

“De Iraakse regering concentreert op het ogenblik haar troepen bij de steden Kirkuk en Arbil en in de omgeving van de stad Mosul en deze bereiden zich voor op een nieuwe offensieve operatie. Maar ik geloof dat de Iraakse troepen op het ogenblik niet in staat zijn tot een offensief op grote schaal omdat ze bang zijn voor de Koerdische verzetsstrijders, omdat ze bang zijn voor de reactie van de Westerse coalitie en ook omdat ze er zeker van kunnen zijn dat ze met hun zeer lage moreel op het ogenblik geen belangrijke successen kunnen boeken. Ze proberen nu vooral om de Koerdische bevolking schrik aan te jagen en de burgers van plaatsen als Kifri, Kalar, Arbil, Chamchamal ertoe te brengen hun woonplaatsen te verlaten en het Iraakse Koerdische Front (IKF, een samenwerkingsorgaan van PUK, KDP en andere groepen, FvS) met een nieuw probleem op te zadelen door groeiende aantallen vluchtelingen.”

U rekent op Westerse hulp, maar in het Westen lijkt de belangstelling voor de Koerden te verminderen. Bent u niet bang in de steek te worden gelaten?

“Nee, ik geloof van niet. Ik geloof juist dat er dit jaar voor het eerst serieuze belangstelling bestaat voor het Koerdische probleem en voor de Koerden. Bijna elke dag valt er wel weer ergens een opmerking van een Westerse politicus over de Koerden te horen. Ik denk dat de Westerse landen bezorgd zullen blijven over de toestand in Koerdistan.”

Maar de belangstelling valt al niet meer te vergelijken met die van dit voorjaar?

“Toen was er de tragedie van drie miljoen Koerden die zwaar hadden te lijden. Nu zijn die bijna allemaal weer thuis. Slechts zo'n 100.000 mensen uit de provincie Kirkuk worden er door de Iraakse regering van weerhouden om terug te keren naar hun dorpen en steden. Maar de anderen zijn teruggekeerd. En, weet u, als u nu steden als Sulaimaniya of Arbil bezoekt, dan zult u zien dat onze mensen weer hun normale leven leiden. Dit voorjaar lag dat allemaal heel anders.”

De Westerse militairen hebben zich uit Irak teruggetrokken. Verontrust dat u niet?

“Dat waren toch maar enkele duizenden militairen. Waar de Irakezen bang voor zijn is de geallieerde luchtmacht. Die zit nog steeds in Turkije. En meer nog dan dat zijn de Irakezen bang voor een nieuw internationaal alarm. Irak is niet in staat om het weer tegen de wereld op te nemen. Als de landen van de geallieerde coalitie hun belofte gestand doen, dan geloof ik niet dat Irak ooit weer een grote militaire operatie tegen de Koerden kan beginnen.”

Hoe veel strijders tellen de Koerdische partijen op het ogenblik samen?

“Alles bij elkaar ten minste 120.000.”

Als het Westen u niet te hulp zou komen, zou u dan toch een kans hebben tegen de goed uitgeruste strijdkrachten van Saddam Hussein?

“Vanzelfsprekend, we zijn er al sinds 1961 in geslaagd om ons zonder steun van Oost of West staande te houden. Saddam Hussein kreeg toen hulp van de Sovjet-Unie, China, de Verenigde Staten, Frankrijk, Italië, Duitsland, Groot-Brittannië en van veel Arabische staten. Toch overleefden we. En nu is Saddam verslagen, de man is totaal geïsoleerd, hij krijgt geen enkele steun meer van buitenaf en het moreel van zijn leger is bijzonder laag. Ik ben ervan overtuigd dat we Iraakse agressie kunnen weerstaan en de Irakezen zelfs militair zouden kunnen verslaan. Maar we zullen lange tijd humanitaire hulp nodig hebben, want ze hebben ons land totaal vernield. De Iraakse regering heeft de tactiek van de verschroeide aarde gevolgd, die heeft geleid tot de verwoesting van de Koerdische gebieden en daarmee van onze economische infrastructuur. We hebben geen landbouw meer en geen veeteelt. Dat moeten we nu allemaal weer opbouwen.”

Ondanks alle problemen heeft Koerdistan nooit zoveel vrijheid genoten.

“Voor het eerst kunnen onze mensen genieten van democratie en democratische rechten. Veel mensen praten nu over voedseltekorten, salarissen van de ambtenaren en ze vergeten daarbij dat de Koerden twee van hun voornaamste doelstellingen hebben bereikt: democratie en vrijheid. We zijn nu bezig een vrije verkiezing voor te bereiden voor een nationale vergadering, die moet beslissen wat er verder met het land moet gebeuren. In principe zijn we het er al eens, maar we moeten de details nog regelen. Ik hoop dat we binnen twee maanden verkiezingen kunnen houden.”

Hoe staat het met de besprekingen met Saddam Hussein in Bagdad over autonomie voor de Koerden?

“Wat de PUK betreft, wij menen dat de tijd voor onderhandelingen voorbij is. We hebben geen enkel vertrouwen meer in direct overleg met de regering. Het zou beter zijn om de onderhandelingen te hervatten onder supervisie van de Verenigde Naties.”

Waarom bent u zo van mening veranderd? Een half jaar geleden was u nog een groot voorstander van overleg met Saddam Hussein? Had u werkelijk vertrouwen in enige overeenkomst met Bagdad?

“De toestand is sinds april ingrijpend gewijzigd. Kijk, beste vriend, het gaat hier niet om wederzijds vertrouwen, het is een kwestie van het machtsevenwicht tussen de partijen op nationaal en internationaal niveau. In april moesten we wel praten. We zaten toen met drie miljoen vluchtelingen die werden bedreigd met uitroeiing, met genocide. We vonden toen dat we geen middel onbeproefd moesten laten om onze mensen te redden. Ten tweede is het machtsevenwicht sinds april op allerlei niveaus gewijzigd. Het moreel van onze verzetsbeweging is goed, terwijl dat van de Irakezen slecht is en zij op veel plaatsen tot terugtrekken zijn gedwongen. Bovendien kunnen de Koerden internationaal gezien voor het eerst rekenen op veel sympathie in de publieke opinie, bij parlementariërs, regeringen en de media. Verder worden we voor het eerst gesteund door resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Een derde reden waarom we er nu anders over denken is dat we slechte ervaringen hebben opgedaan met de besprekingen met Saddam Hussein. Er waren in april aanwijzingen dat Irak na de nederlaag in de Golfoorlog bereid was tot democratische hervormingen. Maar daar is niets van terechtgekomen. De houding van de regering tegenover onze verlangens bleef negatief. Wat heeft het onder die omstandigheden voor zin om verder te praten!”