Palestijnen zeer teleurgesteld door houding van Amerikanen; Euforie Palestijnen heeft plaatsgemaakt voor bitterheid

WASHINGTON, 14 DEC. In Madrid, nog maar zes weken geleden, waren de Palestijnen euforisch. Zij hadden evenveel spreektijd gekregen als de Israeliërs. Hun delegatie kreeg van de groten der aarde precies dezelfde behandeling als de Israelische delegatie. En de uitspraken van hun woordvoerders konden op ten minste evenveel aandacht en respect rekenen van de duizenden naar Madrid gestroomde journalisten als hetgeen de Israelische delegatie verkondigde.

De indruk die de Palestijnen van de conferentie van Madrid overhielden, was dat zij eindelijk door de wereld als volwaardig werden erkend, als een apart volk met een eigen identiteit. Toen de Israeliërs ook nog in principe ermee akkoord gingen om de bilaterale vervolgonderhandelingen "twee-sporig' te voeren, was de blijdschap van de Palestijnen totaal: hoewel zij bezet en onderdrukt waren, en niet langer konden rekenen op de automatische steun van de andere Arabieren, hadden zij de deur naar de onafhankelijke Palestijnse staat op een kier geopend.

Maar ze riepen dat iets te luid van de daken. Want voor de Israelische regering kan er geen sprake zijn van een onafhankelijke Palestijnse staat - nu niet en nooit - omdat zo'n staat op den lange duur zich niet bij zijn minimale afmetingen zou neerleggen en al helemaal geen millimeter gebied aan Israel afstaan. Dus besloot premier Shamir dat aan de Palestijnen moest worden duidelijk gemaakt dat zij zich tijdens (en na) de onderhandelingen onder geen beding al te opzichtig van Jordanië mochten afscheiden. Want als dat wèl gebeurde, zouden de Palestijnen vanuit die juridische startpositie hun claims op zelfbeschikking en een nationale staat verder kunnen ontwikkelen.

Daarom nam de Israelische delegatie er geen genoegen mee de onderhandelingen met de Jordaans-Palestijnse delegatie onmiddellijk al op twee sporen te zetten, dat wil zeggen in twee aparte kamers te houden. Eerst moest de gemeenschappelijke delegatie daarover met de Israeliërs afspraken maken en daarom stond de Palestijnse delegatie met even grote hardnekkigheid op die twee kamers, die voor hen het symbool werden voor de toekomst: de ene kamer Jordanië, de andere Palestina.

Maar de nog steeds niet afgeronde onderhandelingen tussen de voorzitters van de Israelische en de gemengde Jordaans-Palestijnse delegatie drie dagen lang, in totaal twintig uur, samen op een bank in een van de hallen van het State Department, beperkten zich natuurlijk niet tot de kwestie van één-twee-kamers. Zij gingen vooral over de vorm en de inhoud van de toekomstige gesprekken. Men moest overeenkomen wie over wat zou onderhandelen en hoe men het moest benoemen om eventuele concessies te verhullen. De Israeliërs wilden de gemeenschappelijke Jordaans-Palestijnse delegatie zo veel mogelijk intact laten en op de twee sporen "functionele' subcommissies instellen die over zeer specifieke zaken zouden onderhandelen: bij voorbeeld hoe het Palestijnse zelfbestuur in de Gaza-strook geregeld zou moeten worden.

“Geen sprake van”, riepen de Palestijnen. “Wij zijn geen subcommissie, maar een volk.” Zij streven juist naar zo min mogelijk gemeenschappelijkheid met de Jordaniërs. “Want wij zijn bang dat eens een gemeenschappelijke delegatie altijd een gemeenschappelijke delegatie zal zijn”, legde burgemeester Freij van Betlehem, een van de delegatieleden, uit.

De Jordaniërs schaarden zich 100 procent achter de Palestijnse eisen en verlangens. Hun lopen de rillingen over de rug als zij de Israelische woordvoerder Benjamin Netanyahu horen zeggen: “Zijn er één of twee Palestijnse volkeren?” Netanyahu maakt zijn gehoor op alle mogelijke manieren duidelijk dat Jordanië in feite Palestina is of in elk geval het grootste deel uitmaakt van Palestina, dat de Palestijnen in datzelfde Jordanië de overgrote meerderheid van de bevolking vormen en daarom in Jordanië maar hun nationale aspiraties moeten bevredigen.

Deze opvatting zou, aldus de eeuwige angst in Jordanië, ertoe kunnen leiden dat Israel de Palestijnse bevolking uit de bezette gebieden naar Jordanië verdrijft. Die angst was een van de redenen voor koning Hussein drieëneenhalf jaar geleden om formeel afstand te nemen van de Westelijke Jordaanoever, die tot de juni-oorlog van 1967 onder Jordaans bestuur stond. Want hij zou een nieuwe toevloed van Palestijnen in zijn koninkrijk waarschijnlijk niet overleven.

Omdat Shamirs Likud Jordanië als Palestina definieert en de door Israel bezette gebieden als onafscheidelijk deel van Israel, verzette de partij zich jarenlang tegen de politiek van de Israelische Arbeiderspartij, die op "de Jordaanse optie' gericht was. De Jordaanse optie hield in dat Israel het Palestijnse vraagstuk kon oplossen door het grootste deel van de bezette gebieden aan Jordanië (terug) te geven.

Nu blijkt echter dat de regering-Shamir de Jordaanse optie op een andere manier stilzwijgend heeft overgenomen. Uit alle opmerkingen van de Israelische delegatieleden wordt duidelijk dat Israel koning Hussein weliswaar geen stuk van het Land Israels wil geven, maar hen wèl graag zo nauw mogelijk bij de Palestijnse autonomie wil betrekken. Het Palestijnse zelfbestuur zou een sterke Jordaanse bestuursinbreng moeten hebben. Of, zoals een goed ingevoerde Israelische waarnemer het zei: “Je moet de autonomie vergelijken met een school, waar de kinderen een grote mate van vrijheid hebben. De bedoeling is dat Israel de directeur wordt en Jordanië de onderdirecteur.”

Volgens diverse Israelische zegslieden heeft de koning namelijk blijk gegeven van zijn verlangen om opnieuw een rol in de bezette gebieden te spelen. Hij zou contact hebben gelegd met zijn vroegere aanhangers aldaar. Hier in Washington gaan de Jordaniërs achter de schermen opvallend vriendelijk met de Israelirs om. Zij bedenken ook voortdurend alle mogelijke compromissen in de Israelisch-Palestijnse strijd over het verdere verloop van de onderhandelingen.

Een eventuele deelname van de koning aan de Likud-versie van de Jordaanse optie is buitengewoon onwaarschijnlijk en berust waarschijnlijk op (Israelische) dagdromen. Want de koning zou de lasten van zijn betrokkenheid bij de Palestijnen moeten dragen zonder de lusten ervan te genieten. Maar gezien de erbarmelijke staat van de Jordaanse economie kunnen de Amerikanen hem tot velerlei zaken dwingen die hij niet wil.

De Palestijnen weten nooit precies waar ze met de koning van Jordanië aan toe zijn. Dat maakt hen extra nerveus en wantrouwend, terwijl ze het al heel moeilijk hebben. Zij moeten voor de de onzichtbare PLO de kastanjes uit het vuur halen. En ze weten dat als ze falen, de PLO elk moment afstand van hen kan nemen.

Bovendien staan ze onder druk van de nee-zeggers aan het thuisfront, die hen met de dood bedreigen als zij te veel concessies doen. Intussen krijgen ze van hun familieleden de boodschap dat de Israelische kolonisten met de zegen van de regering provocerende acties uitvoeren en dat het Israelische militaire bestuur in hun dorpen en steden weer veel harder optreedt. Dat alles vergroot bepaald niet hun verzoeningsbereidheid.

Een verschrikkelijke teleurstelling voor hen is dat, waar de media in Madrid de Palestijnen en het Palestijnse gebeuren miljoenvoudig belichtten er nu minimale belangstelling bestaat voor hetgeen de Palestijnen in Washington zeggen of doen. Het lijkt alsof er één groot komplot tegen hen aan de gang is. Het verkrachtingsproces van William Kennedy Smith, de verslechterende economie, de vrijlating van de Amerikaanse gijzelaars in Beiroet, het ontslag van John Sununu, de stafchef van het Witte Huis, en de dramatische ontwikkelingen in de uit elkaar geslagen Sovjet-Unie hebben alle aandacht opgeëist.

Maar de grootste teleurstelling voor de Palestijnen is de houding van de Amerikaanse regering. Bush en Baker zijn de enige kaart die de Palestijnen hebben. Kort geleden spanden zij zich nog zo in ten behoeve van de Palestijnen, nu houden zij zich op grote afstand. Bij vrijwel alles waar de Palestijnen om vroegen, kregen ze nul op het rekest. Ze wilden hun uitreisvisa niet langer bij de Israelische militaire gouverneur aanvragen maar bij de ambassades van de VS en de Sovjet-Unie in Tel Aviv. Ze vroegen de Amerikanen om een waarnemer te sturen naar de bilaterale besprekingen. Ze eisten een van Amerikanen geïnstitutionaliseerde bescherming opdat Israelische militairen geen huiszoeking bij hen zouden kunnen doen. Ze vroegen garanties dat hun papieren bij hun vertrek naar Jordanië niet door Israelische militairen aan een veiligheidscontrole zouden worden onderworpen.

Het Amerikaanse antwoord luidde steevast: “Daar bemoeien we ons niet mee. Bespreek dat maar met de Israeliërs” - precies datgene wat de Palestijnen niet wilden. Weliswaar gaven de Israeliërs gehoor aan het zeer dringende Amerikaanse verzoek om de Palestijnse gedelegeerden niets in de weg te leggen, maar dat werd nergens schriftelijk vastgelegd.

De Palestijnen voelden de Amerikaanse afwezigheid het pijnlijkst, toen het State Department maandag bekendmaakte dat de partijen zelf hun conflict over de reeds in gereedheid gebrachte één- twee-kamers moesten uitvechten en toen ze vervolgens te horen kregen dat ze hun eisen misschien iets te hoog hadden opgeschroefd in het licht van hetgeen in Madrid was afgesproken.

De euforie van de Palestijnen in Madrid heeft plaatsgemaakt voor verbittering en diepe frustraties in Washington. Maar omdat de weg naar vrede lang en moeizaam is, kunnen ook die gevoelens volgende week weer in hun tegendeel veranderen.