Nederlandse schilders uit het zeventiende-eeuwse Rome in Utrecht; Het vulgaire en lelijke, alledaagse leven

Tentoonstelling: Straatrumoer, Rome gezien door Nederlandse schilders in de Gouden Eeuw. Pieter van Laer en de Bamboccianten. Van 6 december tot 9 februari 1992 in het Centraal Museum te Utrecht. Duitstalige catalogus onder redactie van David A. Levine en Ekkehard Mai: I Bamboccianti, Niederländische Malerrebellen im Rom des Barock, ƒ 59,-

Joachim von Sandrart, een Duitse kunstenaar werkzaam in Rome in de jaren dertig van de zeventiende eeuw, beschrijft in zijn Teutsche Akademie hoe hij op een dag met de schilders Claude Lorrain, Nicolas Poussin en Pieter van Laer naar Tivoli ging om daar “naer het leven” te tekenen. Op de terugweg werden ze plotseling overvallen door een stortbui. Van Laer spoorde zijn paard aan en reed ver voor zijn vrienden uit de stadspoort van Rome binnen. Toen ook de andere drie schilders daar aankwamen, vroegen ze de poortwachters of er soms iemand voorbij was gereden. Ja, in zoverre, ze hadden alleen een paard gezien, beladen met een kist, een hoed en twee laarzen. Daarmee wisten de schilders genoeg: die kist, dat moest Bamboccio' geweest zijn oftewel Pieter van Laer, die de bijnaam voddepop' te danken had aan zijn mismaakte, gebochelde gestalte.

Als we het verhaal van Von Sandrart mogen geloven, bevond de in 1599 in Haarlem geboren schilder Pieter van Laer zich in illuster gezelschap. Poussin en Lorrain waren de kampioenen van de idealiserende, classicistische smaak die door de Accademia di San Luca, een Academie van de kunsten onder pauselijk gezag, werd voorgeschreven. Wanneer zij naar Tivoli gingen om schetsen te maken, keken ze vooral naar het arcadische landschap en de indrukwekkende restanten van het antieke Rome. Bamboccio daarentegen vatte het schilderen “naer het leven” heel wat vrijer op. Zijn aandacht ging uit naar volkse tafereeltjes in het Romeinse straatleven waarbij hij ook het banale, om niet te zeggen platvloerse, niet schuwde.

Een mooi voorbeeld van Van Laers onderwerpkeuze is het schilderij Acqua Acetosa, te zien op de tentoonstelling gewijd aan Pieter van Laer en zijn navolgers, de zogeheten Bamboccianten, in het Centraal Museum te Utrecht. De titel van het schilderij verwijst naar een bron aan de Tiber, iets buiten Rome, waarvan het water een laxerende werking had. Deze bron werd vaak genoeg afgebeeld vanwege de idyllische ligging, maar Van Laer was de eerste die ook ongegeneerd de heilzame effecten ervan liet zien.

Plassende, poepende, vechtende en drinkende figuurtjes: in Nederlandse zeventiende-eeuwse schilderijen heel gewoon, maar voor de nog sterk aan de klassieke kunst gebonden Italianen ongetwijfeld shockerend. De geestige tafereeltjes waren echter een groot succes bij de verzamelaars in Rome die er hoge prijzen voor betaalden. Dit uiteraard zeer tegen de zin van de Accademia.

Daar kwam nog bij dat Van Laer, evenals de meesten van zijn Nederlandse en Vlaamse collega's in Rome, was aangesloten bij de Schildersbent. De leden van dit in 1624 opgerichte gezelschap, de Bentvueghels', hadden een reputatie op te houden wat betreft drankfestijnen en wilde verkleedpartijen. Het straatrumoer waar de titel van de tentoonstelling naar verwijst, was niet alleen een favoriet thema van de schilders, zelf wisten ze ook voor de nodige opschudding te zorgen. Ieder nieuw lid werd na een bacchanaal inwijdingsritueel plechtig gedoopt en van een toepasselijke bijnaam voorzien: zo kwam Pieter van Laer aan zijn weinig vleiende naam Bamboccio. De Bent en de Accademia stonden op slechte voet met elkaar. Dankzij hun onderlinge solidariteit konden de Bentleden zich enigszins onttrekken aan de almacht van de Accademia en zo weigerden zij bijvoorbeeld bepaalde belastingen te betalen.

Het wekt dan ook geen verbazing dat de rancune van de Italiaanse schilders tegenover de succesvolle Van Laer en de Bamboccianten groot was. Dit blijkt wel uit de uitspraak van Giovanni Battista Passeri, schilder en enige tijd rector van de Accademia, dat Van Laer de edele en schone Vrouwe Schilderkunst tot een hoer had gemaakt. Passeri vergeleek de schilderijen van de Bamboccianten met een venster op de wereld waarin al het lage, vulgaire en lelijke van het dagelijkse leven wordt getoond. Hoewel voor ons dit veronderstelde realisme nu juist de aardigheid van het genre uitmaakt, was het door Passeri zeker niet als een compliment bedoeld.

Het is echter maar zeer de vraag in hoeverre dit beeld van de Bamboccianti als realistische schilders juist is. De tentoonstelling in Utrecht nodigt uit tot discussie op dit punt. De stadsgezichten die een navolger als Johannes van Lingelbach schilderde, blijken bij nadere beschouwing een samenraapsel van diverse markante gebouwen in Rome te zijn en zeker niet willekeurige kiekjes van de stad. Ook figuren als de krakelingenverkoper en de weinig zachtzinnige kiezentrekker zijn steeds terugkerende typetjes waarvan toch moeilijk verondersteld kan worden dat ze op iedere straathoek aanwezig waren.

Hoe realistisch is het wanneer zwervers, bedelaars en eenvoudige ambachtslieden temidden van de ruïnes in Rome een beetje ruzieën, een kaartje leggen en een dansje maken? Van de ongetwijfeld beroerde omstandigheden waarin zij werkelijk verkeerden, valt niets te zien. Waarschijnlijk was toch de vraag op de kunstmarkt in belangrijke mate bepalend voor de onderwerpkeuze. De rijke verzamelaars wilden best wat folklore in huis maar het moest natuurlijk wel leuk blijven.

“Naer het leven” tekenen was geen eenduidig begrip en zonder meer realistisch zullen ook de Bamboccianten niet gewerkt hebben. Of de Romeinse straten er nu echt zo uitgezien hebben of niet, dankzij de tentoonstelling klinkt er in ieder geval iets door van het rumoer rond een levendige groep Nederlandse kunstenaars in Rome.