MESSEN; De sfeer in Amsterdam wordt agressiever

In tramlijn 9 stak een man een passagier dood, In de Bijlmermeer stal een man een mes bij de Hema om er vervolgens een bewakingsbeambte mee te doden. Een mes op zak: vroeger was het onschuldige opschepperij, nu steekt men sneller en jonger toe.

Vier jaar was hij toen hij zijn eerste mesje kreeg, uit de ijzerwinkel van zijn vader. Maar een vriendje verlinkte hem en toen heeft de juf het afgepakt. Dat hij een messenwinkel wilde wist hij al van kindsbeen af. Messen en scharen slijpen is een prachtig vak en je moet er gevoel voor hebben. Laatst had hij zes weken een jongen in de opleiding, die bracht er niets van terecht, hij sleep alle scharen krom. Een hopeloos geval.

Twaalf jaar geleden werd Thomas de Boer eigenaar van De meesterslijpers, een slijperij en messenwinkel op de Kinkerstraat. De zaak bestaat al tachtig jaar. Bij binnenkomst blikkert alles je tegemoet. Behalve slagersmessen en gewone huis-, tuin- en keukenmessen heeft De Boer ook zakmessen, kapmessen, vouwmessen, klapmessen, maar geen stiletto's. ""Verboden messen, zoals stiletto's en klapmessen met een lemmet van langer dan 28 cm, verkoop ik niet. Maar laten we wel wezen, als iemand een moord wil plegen, hou je hem met zo'n verbod niet tegen.''

Echte freaks krijgt De Boer in zijn winkel, verzamelaars, die veel geld over hebben voor een mooi mes. Waar hem dat in zit? Hij neemt een eenvoudig klapmes van een paar honderd gulden uit de vitrine. ""Kijk hoe gaaf dat staal is afgewerkt. Luister naar de klik waarmee het lemmet vastspringt, hoor je dat? En naar het zachte klapje waarmee het mes weer in zijn handvat verdwijnt! Voel hoe het in de hand ligt. Daar kicken mensen op.'' Zelf beschouwt De Boer zich niet als fetisjist. Hij vindt messen mooi, maar spaart ze niet. Zijn kinderen zijn ermee opgegroeid. Negen jaar was zijn dochter toen ze haar eerste spreekbeurt over messen hield op school, met een keur aan aanschouwelijk materiaal uit eigen zaak.

""De verkoop van enge messen stijgt bij mij niet, maar er komen weleens aparte figuren de winkel binnen. Als ze zenuwachtig zijn geef ik ze niks, ik wil niet lekgeprikt worden. Een hoop mensen lopen gewoon te watertanden als ze hier binnenkomen, en die zijn toch heel normaal. Nee, ik heb absoluut niet het gevoel dat ik met mijn koopwaar mensen op verkeerde gedachten breng.''

De Boer is niet bang uitgevallen, maar toen op een koopavond een grote groep Surinamers eindeloos voor de etalage van zijn winkel bleef rondhangen, heeft hij toch maar de achterdeur genomen. Na een inbraak waarbij alle dure messen werden gestolen, liet hij een alarmsysteem aanleggen. Dure messen heeft hij nu niet meer, hij heeft er geen geld voor, en je verkoopt ze toch bijna nooit.

Voor dure messen moet je bij De oude Man in de Damstraat zijn. Op het eerste oog een souvenirzaak, maar loop je binnen en sla je achterin de winkel rechtsaf, dan pronkt daar een grote uitstalkast vol vervaarlijk staal. Voor ƒ 1690,- wordt u de trotse eigenaar van een Sturgis Blackhill bowie, van de beroemde Buck Knives, met in het lemmet gegraveerd berglandschap met adelaar. Heim Boker uit Solingen biedt voor ƒ 16.000,- een duelleerdoos met twee dolken, compleet met bloedgootje. Zeer fraai is ook de generaal Cocobola (ƒ 320,-), een kloek nijf met een perfect afgewerkt mahoniehouten handvat. De Cocobola schreeuwt om een bananenrepubliek of een junglecommando. Maar de absolute topper is de Ek "Desert Patrol", in prijsklasse variërend van ƒ 350,- tot ƒ 895,-. "Battle proven in 4 Wars: WW II, Korea, Vietnam and now... The Gulf', meldt een trots certificaat. Old Surehand, Rambo, Schwarzkopf en Schwarzenegger: hier is voor elk wat wils. Voor pijl en boog moet u boven wezen.

Prettig gevoel

Messen zijn van alle tijden. Statussymbool, kunstvoorwerp, opschepperij, beveiliging, het prettige gevoel van iets zwaars, gaafs en koels tegen je dijbeen. Gewoon, om een appeltje te schillen, een stukje touw door te snijden, een brief open te maken of een flesje te ontkurken. Of om een ander te bedreigen. Of om iemand te beroven. Of om iemand lek te prikken'. Waar ligt de grens? Die ligt steeds lager, hoor je alom in Amsterdam.

Dertig jaar is Ross en zo vierkant als Jerommeke. Tien jaar al is hij uitsmijter en hij heeft heel wat geweld om zich heen gezien. Ross werkt bij de It', een begrip in de Amsterdamse binnenstad. De discotheek bij het Rembrandtsplein bestaat twee jaar en houdt messen buiten de deur met behulp van een metaaldetector. Bezoekers moeten ze wegbrengen of buiten in de vuilnisbak verstoppen. Leveren ze hun steekwapens in, dan zijn ze ze kwijt. De disco wil geen wapengarderobe bij de ingang.

Vanavond is het homo-avond en tien vrolijke dames uit de provincie worden bij de deur zonder pardon weggestuurd. Kom je daarvoor helemaal uit Medemblik'', protesteren ze boos vanonder hun platinablonde permanent, maar Ross is onverbiddelijk. Binnen woedt intussen een Safe-Sex-campagne vanwege Wereld Aids-dag en dat betekent een gratis condoom bij je eerste consumptie.

Ross heeft de afgelopen tien jaar in heel wat heavy nachttenten gestaan op Rembrandtsplein en Leidseplein. Dat was het echte gangstercircuit. De Turkse mafia die met de Joegoslaven afrekende. Amsterdam is een stuk agressiever en ongezelliger geworden de laatste paar jaar'', zegt Ross spijtig. Er zijn meer wapens en spuitbussen in omloop. En laten we wel wezen, de straffen zijn ook lachertjes. De buitenlanders komen hierheen om hun criminele zaakjes te doen, die halen hun schouders op over onze politie. Ik wil de buitenlanders nergens de schuld van geven, het zijn goede klanten van ons, ik zie ze graag komen, maar het ongenoegen van de mensen gaat zich wel tegen hen keren. Als we slim zijn kunnen we dat nu misschien nog in de hand houden.''

Ross is erg tevreden over zijn nieuwe werkplek. Als portier heeft hij een antenne voor rottigheid, maar tot steekpartijen is het binnen nog niet gekomen. De vaste It-bezoekers weten dat ze de deur met een mes niet passeren. Wie dat doorgaans niet weten zijn scholieren. De meeste messen nemen we in beslag als er een scholierenfeest is'', zegt Ross. Eén op de tien jongens heeft iets op zak. Die messen hebben ze ook op school bij zich. Leraren zijn daar niet voor opgeleid, die weten niet hoe ze ermee moeten omgaan.'' De tijd is niet ver meer, denkt Ross, dat het afgelopen is met de licht vermoeide, knorrige zestigjarige conciërge op de middelbare school. In de toekomst zullen scholen daarvoor sportieve mannetjesputters moeten aannemen.''

Lijn dertien

De scholengemeenschap J.W. Willemsen- Prinses Irene - een LTS gefuseerd met een huishoudschool - werkt nog met gewone ouderwetse conciërges, al zijn drie van hen Marokkaans en twee Turks. De Willemsenschool (1050 leerlingen) in Geuzenveld kwam onlangs in het nieuws doordat scholieren de passagiers en de conducteur van tram 13 terroriseerden. De trambestuurder moest hals over kop de tram uitvluchten. Negentien jaar is M.W.F. Habold directeur van de school en er is in die tijd heel wat veranderd. Driekwart van de leerlingen is inmiddels buitenlands. De leerlingen zijn brutaler geworden, maar dat komt ook vaak door onbegrip: ze beheersen de taal niet. Bovendien lost men tegenwoordig bijna nooit meer iets verbaal of met de vuisten op, men grijpt onmiddellijk naar hulpmiddelen. Kinderen vinden messen flink. Vroeger werd er ook gevochten, maar nu hou ik er mijn hart voor vast: als er echte vechtpartijen zouden uitbreken loopt het gegarandeerd uit de hand.'' Disco-avonden mogen al niet meer op school, dat vindt de directeur te link geworden.

Habold woont zelf niet in de stad en tram 13 gebruikt hij dan ook nooit. Trams zijn een probleemgebied geworden en dat komt omdat de scholieren niet meer, zoals vroeger, met de fiets of de bromfiets komen. De buitenlanders reizen allemaal met het openbaar vervoer. De bekende fietsenrekken van vroeger staan nu leeg.'' De intimidatie in lijn 13 is op school in de les maatschappijleer besproken, maar een strenge aanpak helpt volgens Habold niet. Wat ik wil is rust op school'', zegt de directeur die niet verhult dat hij zichzelf niet meer als het meest flexibele schoolhoofd beschouwt. Die rust is inmiddels in de gangen en klaslokalen neergedaald. Het is donker buiten. De jongens zwerven over straat. Ook de conciërge heeft de deur achter zich dichtgetrokken.

Daling

Neemt de gewelddadigheid in Amsterdam nu toe? Ja, zegt de politie, als we kijken naar de afgelopen tien jaar. Maar die groei is de laatste twee jaar tot staan gebracht, sterker nog, het aantal roofovervallen is de eerste zes maanden van dit jaar met een kwart afgenomen, dank zij een speciaal straatroofbestrijdingsteam van 160 politieagenten en een paar helikopters. Tegelijkertijd signaleert de politie wel een stukje verloedering' in de stad. De sfeer is agressiever, het messenbezit groeit en de jeugd komt op steeds jongere leeftijd met de politie in aanraking.

Het Montessoricollege voor MAVO en LBO aan de Polderweg in Amsterdam-Oost kun je niet missen. Op de zijkant van het oude gebouw prijkt een metersgrote zaag, symbool voor de handvaardigheid die binnen wordt bedreven. Kijk, dat staat me nou zo tegen, er wordt gestoken in een tram en u komt meteen bij mij omdat mijn school de zwartste is van Amsterdam'', zegt bovenmeester Dave Vreeland (50). Hij zit al dertig jaar in het vak en heeft er nog steeds plezier in. Deze zomer fuseerde de Don Bosco-MAVO (veel meiden) met de Lagere Technische school aan de overkant (bijna alleen jongens). Vreeland heeft nu ruim duizend leerlingen en nam zijn intrek in de grote ouderwetse technische school om de jongens sneller aan mij te laten wennen'. De kennismaking is nu al zover gevorderd dat de jongens ha meester' roepen, als hij langskomt en dat doet hem duidelijk genoegen.

Amsterdam-Oost is het zwartste gebied van Nederland'', zegt Vreeland, maar de samenstelling van de bevolking is hier gelukkiger dan in andere wijken van Amsterdam. In West heb je meer gettovorming met Marokkanen, hier is de bevolking veel pluriformer. Ik heb meer dan dertig nationaliteiten op school, en als rechtgesnaarde Amsterdammer ben ik daar trots op. Sinds de jaren zeventig is het aantal buitenlanders op school gestaag toegenomen, maar dit jaar zie ik voor het eerst weer wat witte koppies in de eerste klas.''

Dat er geen vechtpartijen meer zijn op school schrijft Vreeland toe aan het feit dat hij in 1982 het Montessori-systeem omarmde. Je werkt op een school als deze met gigantische niveauverschillen en klassikaal lesgeven heeft dan ook geen enkele zin. Vroeger was het hier één grote puinbak, nu werken de leerlingen keihard.'' Een rondwandeling door de onderbouw levert inderdaad het verrassende beeld op van zoet werkende kinderen van alle nationaliteiten dooreen. Zelfs waar de leraar ontbreekt zit de klas braaf te knippen, schrijven en lezen.

Op de technische school, waar de grote jongens zitten, is het beeld iets anders. Ha Percy, zegt Vreeland tegen een jongen in een blauwe overall die somber op een bromfiets in de werkplaats hangt. Heb je niks te doen? Ik moet die band plakken, zegt Percy met een hoofdknik, maar hij maakt geen aanstalten. Kom je na school even bij me? vraagt Vreeland. Percy kijkt neutraal in de verte en bromt wat. Percy is een probleem'', legt Vreeland later uit. Hij is groot, sterk en agressief. Hij raakt steeds bij gevechten betrokken. Ik heb hem naar het RIAGG gestuurd, hij wil niet, maar ik blijf zeuren. De jongens delen hun leven op in compartimenten, school, straat, gezin, bedrijf, alsof die niets met elkaar te maken hebben. Maar ik zeg: binnen een straal van 200 km om de school heb ik er alles over te zeggen! Vergeet niet: voor veel kinderen is de school het eerste instituut waar ze enige normen krijgen bijgebracht.''Vreeland merkt weinig van messenbezit onder de kinderen, maar er heerst ook veel onduidelijkheid over wat een steekwapen nu precies is. Ik heb één stelregel: wie slaat die gaat. Kinderen gaan veel te makkelijk op de vuist, dat moet je ze afleren. Ik heb ook kinderen die in de misdaad dreigen te belanden. Ik zeg tegen ze: we werken hier niet alleen voor het papiertje. Hoe stel je je dat voor: vandaag steel je een fiets en morgen kom je weer gewoon gezellig naar school? Dat tolereer ik niet. Ik heb sinds de zomer één jongen van school gestuurd, wegens een verkrachting buiten school. Ik ben geen psychiater, dat gaat mij boven de pet. Met zo'n jongen kan ik niet verder: dat ligt als een steen op mijn hart, onze relatie is verstoord. Hij moet het maar ergens anders proberen. Ik zou wel een jongen van een andere school toelaten, die zoiets op zijn kerfstok heeft. Dan kun je nog een nieuwe relatie opbouwen.''

De bovenmeester laat me uit. Hé Johnnie, zegt Vreeland tegen een kleine zwarte turf van een jaar of veertien, heb je je rapport al gehad? Kom je het me even laten zien? Johnnie kijkt gewichtig: Ja meester! en hij geeft de meester een hand van mannen onder elkaar. Normen vinden kinderen zalig'', zegt Vreeland tevreden en hij snelt terug naar zijn bovenkamer waar de probleemjongen op hem zit te wachten.

Discipline

Jussef (28) woont met vrouw en kind in de Indische buurt, niet ver van de Don Bosco-school. Hij kent ze van haver tot gort, zijn rondhangende Marokkaanse landgenoten, die in de misdaad terechtkomen. Ze zijn 15, 16 jaar, ze komen uit grote gezinnen, vader let niet op, ze gaan niet meer naar school, ze roken en drinken, ze hebben geld nodig en dus gaan ze stelen. En ze zijn er nog trots op ook. Kwaad is Jussef op ze, maar de Nederlandse staat heeft het ernaar gemaakt. Als ik mijn zoon van twee jaar een klap geef, rent hij naar de kindertelefoon'', zegt Jussef in onvervalst plat Amsterdams. Ze moeten geen buurthuizen bouwen en met geld smijten, maar streng zijn. Die jongens zijn leerplichtig, de school moet ze leren hoe ze zich moeten gedragen. De Marokkaanse scholen zijn heel streng, hier verliezen de jongens hun respect voor ouderen.''

Zeven was Jussef toen hij met zijn ouders en twee broers naar Amsterdam kwam en het eerste dat zijn vader zei was: In Nederland gaan kinderen vroeg naar bed! Dat vonden we niet leuk, maar van de eerste dag af aan was het aanpassen geblazen. Sommige buitenlanders moeten zich schamen! Gedraag je naar de wetten van het land. Ik was 16 toen ik van de LTS kwam. Mijn vader zei: het is nu donderdag, maandag moet je werk hebben. Denk erom: geen uitkering en niet op straat zwerven! Die maandag had ik werk en dat heb ik nog steeds.''

Jussef werkt al twaalf jaar als monteur bij Stork en al had hij toen de pest in over zijn vaders strengheid, nu is hij hem dankbaar. Ik weet zeker dat ik anders ook in dat wereldje terecht zou zijn gekomen.'' Keer op keer waarschuwde Jussef de jongens in het buurthuis (Wij Marokkanen bemoeien ons graag met elkaar''), maar ze lachten hem uit. Als iemand een rondje gaf zei Jussef: Mijn geld krijg je niet, daar heb ik hard voor gewerkt! Veel van die jongens zijn uitgegroeid tot drugsdealers, hopeloze gevallen. Jussef en zijn vrouw hebben veel familie in Nederland. Die zijn allemaal goed terechtgekomen. Maar Nederland is wel achteruitgegaan! Ach'', zegt Jussef weemoedig, de tijd dat de melkboer aan de deur kwam en het wisselgeld op de mat achterliet is voorgoed voorbij!''

Volgens Jussef praten de Marokkanen onderling veel over de schande van de jeugdbendes. De imams proberen de ouders in de moskee op hun verantwoordelijkheid te wijzen. Al zullen we dat tegenover Nederlanders niet gauw toegeven, wij erkennen dat we schuld hebben. Het is in de eerste plaats een kwestie van opvoeding. Maar het wordt die jongens ook zo makkelijk gemaakt met die uitkeringen! Als een jongen geen baan kan krijgen, moet hij gewoon van 8 tot 4 uur op school zitten! Maar al die maatschappelijk werkers houden dat buurthuizencircuit in stand, want die verdienen er hun brood mee!''

Incidenten

Cultureel antropoloog Hans Werdmölder wil niet te dramatisch doen over de Amsterdamse steekpartijen. Hij noemt het incidenten, al is het een feit dat de messen sneller getrokken worden en de angstgevoelens onder de mensen duidelijk toenemen. Werdmölder deed al begin jaren tachtig in opdracht van de gemeente een onderzoek naar het gedrag van Marokkaanse jongeren in de Pijp. Hij ging in een clubhuis achter de bar staan en observeerde de jongens van 15, 16, 17 jaar die er hun sterke verhalen kwamen vertellen, hij ging naar Marokko, kwam bij de jongens thuis en schreef er een boek over (Van vriendenkring tot randgroep. Marokkaanse jongeren in een oude stadswijk'). De gemeente legde het boek naast zich neer.

Voor zijn proefschrift (Een generatie op drift. De geschiedenis van een Marokkaanse randgroep', 1990) zocht hij dezelfde 34 jongens weer op om te kijken wat er van hen geworden was. Eenderde bleek op zijn pootjes terechtgekomen, maar tweederde bleef een marginaal bestaan leiden, werkloos, levend van een uitkering, ronddolend in de zichtbare of onzichtbare criminaliteit.

Er is in Nederland lang sprake geweest van valse tolerantie, men wilde geen eisen stellen. Daar komt nu gelukkig verandering in. In Marokko zijn de straffen veel zwaarder, men past vaak lijfstraffen toe, het verwachtingspatroon is heel anders. Je moet harder zijn, eerder ingrijpen, dat geldt trouwens ook voor Nederlandse jongens. Ons systeem lokt criminaliteit uit. Aan een uitkering moet je de verplichting tot het zoeken van werk koppelen. De ouders moeten aangesproken worden op het gedrag van hun kinderen. We hebben jarenlang een struisvogelpolitiek gevoerd.''

Er is een duidelijk onderscheid tussen de verschillende buitenlandse jongerengroepen. Zo komen Marokkanen vaker met de politie in aanraking dan Turken. Turkije is veel Westerser dan Marokko en de Turken wonen doorgaans langer hier. Ook economisch doen ze het beter. Zestig procent van de Amsterdamse pizzeria's is in Turkse handen. De sociale controle is in Turkse gezinnen veel strikter dan in Marokkaanse.''

De Antilliaanse jongens die nu plotseling zo in de publiciteit staan, zijn volgens Werdmölder bepaald niet representatief. De meeste Antillianen komen goed terecht, ze zijn vaak beter opgeleid dan Marokkanen. Maar deze groep bestaat uit een aantal keiharde jongens die ook al op de Antillen buiten de boot vielen. Ze zijn gewoon met een enkele reis op het vliegtuig gezet, naar een of andere verre oom of tante, ze spreken onvoldoende Nederlands en gaan niet naar school. Omdat ze niet met hun gezin komen, gaan ze zwerven.''

De groeiende angst voor messentrekkerij noemt Werdmölder deels een gevolg van de grotere openheid over het onderwerp. Vroeger was het taboe, dat bleek heel duidelijk uit de reacties op mijn boek. Het werd als onzin afgedaan: wij zijn beschaafde mensen, wij discrimineren niet. Maar de opkomende vreemdelingenhaat heb ik zien aankomen. De wijkbewoners, die geconfronteerd werden met een stroom buitenlanders, zijn niet serieus genomen, hun klachten werden genegeerd, ze voelden zich niet meer thuis in hun eigen wijk en trokken weg. De enige partij die daar begrip voor opbracht was de Centrumpartij en dus gingen de oudere mensen in de oude wijken van de grote steden massaal op de Centrumpartij stemmen.''

Dramatisch moet er niet gedaan worden over de situatie, vindt Werdmölder, Amsterdam is Los Angeles niet. Maar hij is een voorstander van een nuchtere aanpak, zonder brave geitewollensokken-medeleven. Jongens vinden stelen spannend. Een Marokkaanse jongen is opgegroeid in een traditie van stammentwisten. Hij is niet gewend dat geweldskwesties het monopolie van de politie zijn. Als je hem in zijn eer aantast, springt hij uit zijn vel. Hij moet leren dat dat niet kan.''

Bijlmer

In de Bijlmermeer met zijn donkere, vervuilde, stinkende en tochtende parkeergarages, lijkt Amsterdam soms toch al een beetje op Los Angeles. De Surinaams-Javaanse sociëteit Blauwgrond in de flat Kleiburg zit potdicht. Vorige week vrijdag deed de politie een inval en nam twee pistolen in beslag. De sociëteit is min of meer gekraakt door een van de agressiefste Antilliaanse jeugdgroepen van de Bijlmer en de Hindoestaanse eigenaar weet zich geen raad. De groep, die 's winters klein is maar 's zomers wel tot 150 man kan uitgroeien, kost het wijkteam van de Ganzenhoef heel wat kopzorgen.

De groep in de Ganzenhoef, zegt hoofdinspecteur L.J. Schaap (30), heeft een viertal leiders van ongeveer dertig jaar, die diep in het drugscircuit zitten. Zij gebruiken de jongens om te roven en te stelen. Of om onderlinge vetes uit te knokken met de andere groepen, om vrouwen of om afgebakend territorium. Van hun onderlinge ruzies merken wij niet veel'', zegt Schaap. Wij grijpen pas in als ze de buurtbewoners lastigvallen. Zo staan ze bijvoorbeeld bewoners niet toe hun postbus open te maken zonder zogenaamd protectiegeld te betalen.''

Op Ganzenhoef geldt een messenverbod en in overleg met de officier van justitie heeft de politie ruimere bevoegdheden gekregen om messen in beslag te nemen. Dat doet ze dan ook, getuige foto's van indrukwekkende steekwapens. De Antillianen staan als buitengewoon hard bekend. Een mensenleven telt voor die groep niet. Maar ze kijken wel uit dat ze niet te veel met de politie in aanraking komen. Zo'n incident als met die bewaker die in de Hema is doodgestoken, daar houden ze niet van. Dat geeft te veel beroering en het activeert de politie. Ze verlinken gerust hun eigen mensen om de gemoederen weer tot bedaren te brengen.'' Met zo'n zeshonderd aangiften van berovingen per jaar staat de Ganzenhoef na de Amsterdamse binnenstad aan de top. We verwachten deze maand nog een hausse aan berovingen'', zegt Schaap nuchter, want in februari is het carnaval op de Antillen en de jongens hebben geld nodig om daarheen te gaan. Februari is daarom altijd een rustige maand voor ons.''

Lloyd

In een wat stiller gedeelte van de Bijlmer, achter het Amsterdams Medisch Centrum, ligt de Lloyd Rijksinrichting voor jongens. Zonder het hoge stalen hek met prikkeldraad en de verdacht smalle raampjes zou de Lloyd een bepaald vriendelijke indruk maken. Witte tegels, met een afwisselend blauw, rood en geel patroon. De raampjes, die op schietgaten lijken, zijn de moderne variant op tralies. Na een aantal sluizen stap je bijna in een binnenvijver, waar grote goudvissen naar adem happen. Alles is wit, licht en vrolijk, en alles zit op slot.

Roberto ontvangt me in zijn kleine cel. Hij zit op tafel, gekleed in een blauw trainingspak, grote gympen aan zijn voeten, zijn rastakrullen hangen als leeuwemanen op zijn schouders. Zeventien jaar is Roberto en hij kwam drie jaar geleden van Curaçao naar Nederland. Zijn moeder werkt op Schiphol. Eerst ging het wel op school, maar hij kreeg ruzie met een jongen over een melkkaart en stak hem in zijn arm. Hij werd van school getrapt. Toen kreeg zijn vriendin een dochter en het geld was op. Met twee andere jongens besloot hij een Haagse juwelier te beroven. Julien had een pistool van een vriend gekocht, toen de juwelier tegenstribbelde schoot hij hem in zijn schouder. Ze grepen twee zakjes goud en al het geld uit de kas en namen de benen. Een vriend heeft hen verraden.

Nadat hij ontsnapt was uit een Utrechtse strafinrichting is hij overgeplaatst naar de hermetisch gesloten Lloyd. Doden wilde hij niet, zegt Roberto, maar hij had toch geld nodig. Zijn vriendin begrijpt hem wel, ze komt hem wekelijks met zijn dochter opzoeken. Hoe lang hij nog zitten moet weet hij niet, misschien wel tot zijn 21-ste. Als hij vrijkomt, wordt hij lasser. Zijn diploma heeft hij al.

Zestig inmates telt de Lloyd. Jongens die in preventieve hechtenis zitten (maximaal 100 dagen), een tuchtschoolstraf uitzitten (maximaal 6 maanden) of op last van de kinderrechter TBS hebben gekregen, waarbij ze maximaal tot hun 21-ste kunnen worden vastgehouden. Het aantal geweldsdelicten onder jongeren is behoorlijk toegenomen'', zegt directeur H. Vermeulen. Tien jaar geleden had je in jeugdinrichtingen voornamelijk boefjes', nu zit het merendeel vast wegens diefstal of afpersing met geweld. Vorig jaar hadden we eenentwintig jongens wegens geweldsdelicten, dit jaar zijn het er al veertig. Ook de zware mishandeling en poging tot doodslag nemen toe. De jongens dragen steeds meer wapens en zijn veel grover in de mond geworden.'' Agressie in de inrichting wordt bestraft met 24 uur cel. Wanneer het personeel lijfelijk wordt aangevallen, gaat de jongen met een rijksonderbroek en een trainingspak voor 48 uur de totaal kale afzonderingscel in.

Ongelovig

Dominico is zestien en bepaald klein voor zijn leeftijd. Hij loopt rond in een fleurige onderbroek en draagt geel-groenrode rastakraaltjes op zijn voorhoofd. Twee maanden geleden stak hij op straat een man neer. De man ging dood. Dominico lacht een beetje ongelovig als hij het vertelt.

Drie jaar geleden kwam Dominico naar Nederland, naar zijn zus die als caissière werkt. Eerst ging het wel op de LTS, maar in de tweede klas bleef hij zitten en na een half jaar is hij ermee gestopt. Toen ging hij brommers stelen, elke dag weer, tot de politie zei dat hij naar een internaat moest. Hij weigerde. 's Nachts sliep hij thuis, bij zijn zus, en overdag zwierf hij met vrienden over straat. Op een keer gingen we banden lek steken van auto's, uit verveling. Er kwamen mannen naar buiten rennen, één greep mijn vriend beet. Toen holde ik naar huis en zei tegen een vriend: geef me je mes. 't Was een stiletto. Ik rende terug en stak hem in zijn zij. Hij bleef doorvechten. Toen kwam de politie en ik rende weg. De volgende dag zei de moeder van een vriend tegen me: Die man is dood. Ik zei: Bij mij hoef je toch niet met die grapjes aan te komen! Toen deed de politie een inval bij mijn zus. De volgende dag heb ik mezelf aangegeven.''

Dominico vertelt het toonloos, een beetje verlegen. Soms lacht hij even snel. In januari moet hij voorkomen. Zijn advocaat zegt dat het niet zeker is dat hij de man heeft doodgestoken. Ze hebben hem immers ook nog met stoeptegels op zijn gezicht geslagen. Dominico kende de man wel, hij woonde bij hem in de buurt. Ik voel niks, zegt Dominico, als ik hem vraag wat hij voelt als hij aan de man denkt. Ik denk er niet veel aan. Nee, ik droom er ook niet van. Ik zou het niet meer doen.'' Zijn moeder en zijn zus komen elke zondag op bezoek. Over de moord zeggen ze geen woord. De wondersloffen van Sjakie'', zegt Dominico op mijn vraag welk boek hij het laatst gelezen heeft. Een mooi boek.''