KATHOLIEKEN

Jaarboek Katholiek Documentatie Centrum 1990 167 blz., Katholiek Documentatie Centrum 1991, f 29,50 ISBN 90 70504 38 3

Terwijl de kerkbanken leger raken vullen zich de boekenplanken. Hebben velen het kind met het badwater weggegooid, van het Katholiek Documentatie Centrum, een niet-facultaire instelling binnen de KU Nijmegen, kan dat niet worden gezegd. Het Katholiek Documentatie Centrum is een professioneel werkend wetenschappelijk archief- en documentatiecentrum met een belangrijke produktie en een uitstraling naar de Nederlandse katholieke gemeenschap, en is de Fundgrube bij uitstek voor het katholieke leven in de 19de en 20ste eeuw. Als hoeder van talrijke bibliotheken en archieven bevordert het KDC publikaties, binnen, maar meer nog buiten het Jaarboek, waarvan inmiddels het twintigste deel voorligt.

Evenals in het vorige gaat de aandacht van de auteurs in het nieuwe jaarboek uit naar de recente geschiedenis. Dat blijkt al uit het openingsartikel van Dorothée Sturkenboom getiteld In Memoriam-teksten op bidprentjes. Een verkennend onderzoek naar de relatie met de gevoelens van nabestaanden (1790-1988)'. Het geeft een aardige aanvulling op de belangstelling, die de laatste tijd vooral naar de afbeeldingen is uitgegaan, temeer daar ook zij haar onderzoek uitstrekt naar Nederland èn België. Daar zijn de teksten van oudsher door de familie geschreven, waar dit in Nederland meestal aan de geestelijkheid werd overgelaten.

Lof, troost en berusting, een duidelijke religieuze boodschap overheerst tot in het midden van de vorige eeuw. Daarna is die troost steeds meer toegesneden op degenen die achterblijven. Na 1960 neemt het religieus karakter af en is het vooral een herdenkingskaart. De boodschap niet te veel te rouwen maar een voorbeeld te nemen aan de overledene zijn een constante in de teksten, ook nu nog.

Het onderwijs vanuit de katholieke zuil komt in twee zeer uiteenlopende verhalen naar voren. Joos van Vugt bericht over de Broeders van Maastricht 1840-1900, onder de titel Een congregatie zoekt haar richting'. Zoals alle congregaties kwam ook deze voort uit de behoefte om een organisatorisch en spiritueel kader te kweken voor apostolische en diaconale taken. De Broeders van Maastricht voeren op het ultramontaanse (rigide het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid volgend) kompas, hetgeen hen er niet van weerhield op steeds professionelere wijze (lager) onderwijs te doceren. De opkomst van leke-leerkrachten, het stokken van de instroom van nieuwe leden en uiteindelijk de Mammoetwet hebben de congregatie de das omgedaan.

Die congregatie kon tenminste ongehinderd met het lesgeven beginnen, en dat kon de R.K. meisjesschool in de Minahassa niet. Els Stolker vertelt het beschamende verhaal rondom deze school omtrent 1900. Het getouwtrek tussen zending en missie en de tegenkanting van de overheid duurde schier eindeloos, van 1898 tot 1907. Het conflict kwam tot een plotse ontknoping met de benoeming van een nieuwe gouverneur-generaal, die onderwijs voor de inlanders belangrijker vond dan geloofskwesties.

Johan van Merriënboer, respectievelijk Sjef Schmiermann, behandelen in twee afzonderlijke artikelen boegbeelden uit de katholieke politiek, te weten mr. C. M. J. F. Goseling, parlementslid, partijvoorzitter en later fractievoorzitter van de RKSP en minister van justitie één van de machtigste mannen in de Nederlandse politiek van de jaren dertig, en prof. dr. J. A. Veraart, een recalcitrant katholiek democraat, eerst roerig lid van de RKSP, later mede-oprichter van de Katholiek-Democratische Bond en ten slotte weer gekoesterd binnen de RKSP als verloren zoon. Pittige stukjes parlementaire geschiedenis en een aardige voetnoot bij de recente biografie van Romme, die niet bepaald Veraarts politieke vriendje was.

De reactie van de bisschoppen op de bordjes Verboden voor Joden' is het slot van dit jaarboek. J. M. Snoek schetst de afkeer van die bordjes, de sluikwegen ze te ontlopen en de langdurige besluitvorming over een officiële reactie. Uiteindelijk loste het probleem zich op: toen de deportaties waren begonnen deden de bordjes er niet meer toe. Die dienden enkel de segregatie, niet de deportatie, die er de opvolger van was. Het heldhaftige imago van kardinaal De Jong loopt in het artikel echter maar een heel klein deukje op. Toen, zoals nu, kon de Kerk wel veel, maar niet alles, zeker niet als er niemand luistert.