J. Huizinga. Briefwisseling III,

1934 - 1945 onder redactie van Léon Hanssen, W. E. Krul en Anton van der Lem 512 blz., geïll., Veen-Tjeenk Willink 1991, f 65,- ISBN 90 204 2036 4

En toen was de historicus plotseling verliefd. Internationaal vermaard was hij in 1937 en vierenzestig jaar oud. Gevierd als schrijver van Herfsttij der middeleeuwen (1919), gelouterd uit zijn persoonlijke crisis in de jaren twintig getreden als cultuurfilosoof met In de schaduwen van morgen. Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd (1935), druk in de weer met zijn tweede hoofdwerk Homo Ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur, en ijverig lid van de gezaghebbende Commission Internationale de Coopération Intellectuelle' waarin gediscussieerd werd over de toekomst van de Europese geest. Een in zichzelf gekeerde weduwnaar was hij sinds zijn eerste echtgenoot hem in 1919 ontviel en hij zijn oudste zoon ook ten grave moest dragen. En nu was Johan Huizinga verliefd. Smoorverliefd. Op zijn achtentwintigjarige hoofd van de huishouding' nog wel.

Lief hazehartje'', schreef hij aan Auguste Schölvinck, koud twee maanden nadat ze bij hem in dienst was getreden, Mijn allerliefste groote en kleine schat...ik wil alléén van jou zijn...ik sluit je in mijn armen, en kus je inniger maar ook zuiverder, heiliger? Ik weet er geen woord voor, dan ooit...Je overstroo-mende liefde vervult mij...Leg je lief hoofdje tegen mijn schouder , en sluit je oogen.....Ja, flirt maar, schavuit! Ik vind het best!...schattekind, ongeloofelijk lief wezen, ik kus je, ik kus je...''

Het was, kortom, liefde op het eerste gezicht tussen de cultuurhistoricus en de dochter uit het oude Amsterdamse koopmansgeslacht. Heel Leiden sprak ervan en de ouders van Auguste (haar moeder was de zuster van de katholieke voorman Carl Romme) stonden aanvankelijk niet te juichen over het in volle haast gearrangeerde huwelijk.

Het is een onverwacht aspect in het zojuist verschenen derde en laatste deel van de Huizinga-correspondentie, de afstandelijke hoogleraar die zich op bijkans pensioengerechtigde leeftijd ontpopt als vurig minnaar. En toch zijn de liefdesbrieven ook typisch Huizinga'', betogen de samenstellers van de drie delen Briefwisseling, de historici Anton van der Lem (37), Léon Hanssen (36) en Wessel Krul (41).

In veel brieven aan Auguste'', zegt Van der Lem, schrijft Huizinga over zijn liefde als innig', diep', zuiver'. En dat soort begrippen komt ook in Herfsttij heel frequent voor. Huizinga put hier duidelijk uit hetzelfde culturele besef.''

Hanssen: Het zijn voor hem de fundamentele waarden die hij gebruikt bij de beoordeling van culturele verschijnselen die hij ziet als echt, onvervalst en waardevol. Wat dat betreft ligt zijn benadering van Auguste in het verlengde van zijn benadering van het verleden.''

Toch was Huizinga zich, meent Krul, van zijn naïeve verliefdheid bijna al te zeer bewust. Hij speelde in die liefdesbrieven toch ook een rol. Zo van: Ik ben nu verliefd, en hoe doe je dat. In zekere zin zien we de toneelspeler die Huizinga in zijn studententijd was.''

ZONDER GELD

Zes jaar hebben Van der Lem, Hanssen en Krul gedaan over de uitgave van de correspondentie - een in de historische wereld opzienbarend korte tijd. Het project moesten ze zelf op poten zetten, van begin tot eind. Met geld van het Prins Bernhardfonds, met geld van de Stichting Premium Erasmianum, of zonder geld. Krul was onderwijl als universitair docent in Groningen bezig met zijn dissertatie over Huizinga, de andere twee kregen een bureau van de Universiteit van Amsterdam (Aanvankelijk werd iedere envelop die we gebruikten in rekening gebracht''). Hanssen is nuchter over het gebrek aan enthousiasme dat zij ontmoetten in academische kring. De Universiteit heeft eigenlijk helemaal geen belangstelling voor de onderneming gehad. Maar dat weet je van te voren. Dit soort projekten moet je toch met eigen energie, eigen enthousiasme en een hele hoop investering van je eigen tijd en geld tot stand brengen. Ik geloof dat je pas goede dingen bereikt als je zelf helemaal bezeten bent van het idee dat het moet gebeuren. Dat er niemand meewerkt, daar verbaas je je één keer over.''

Van der Lem wil niet meer terugkijken. Als scholier al raakte hij in de ban van Huizinga en hij lanceerde dan ook het idee de brieven uit te geven. Alleen daarover dient gesproken. Het gaat om het enthousiasme. Je moet geen rekening houden met de buitenwereld, dat leidt alleen maar af. Toen het geld op was, werd het even vervelend. We moesten toen het project als het ware op droog brood gaande houden, met het voortdurende besef: die organisatie is niet meer dan een middel, en het gaat om het doel. Maar omdat wij alles zelf deden, hebben wij ook de vrije hand gehad.''

Bleef het probleem dat de redacteuren danig verschillende visies op de historicus Huizinga koesterden. Volgens Krul heeft dat wel degelijk af en toe geleid tot onderlinge botsingen, maar het was ook de basis van de strenge selectie en geserreerde, strakke annotatie. Daarover zijn ze alledrie zeer tevreden. Van der Lem, die zich volgens de anderen het meest met Huizinga identificeert en het meest geïnteresseerd is in zijn persoonlijke wederwaardigheden, zegt: Je eigen ambities moet je opzij zetten als je besluit zo'n uitgave te maken. Je maakt je dienstbaar aan de brieven.'' Toch zit er achter dit project een duidelijke ideologie, beklemtoont Hanssen. Persoonlijke voorkeuren maken een dergelijke uitgave juist interessant.''

Is het beeld van Huizinga door de correspondentie veranderd?

Krul: De brieven staan in duidelijk contrast met Huizinga's eigen Biografische Levensschets uit 1944, waarin hij zichzelf portretteert als een zorgeloos levend geleerde, wiens werkzaamheid vlinderachtig' is geweest. De correspondentie maakt duidelijk dat Huizinga zeer moeilijke perioden heeft doorgemaakt. Dat hij op een gegeven moment zelfs vastgelopen was en dat hij met zijn werk echt geworsteld heeft.''

Voor alles rijst uit de brieven, meent Hanssen, het beeld op van Huizinga als een man die de voortdurende behoefte, ja bijna obsessie had zijn leven op een heel bewuste en verfijnde manier vorm te geven. Dat zie je maar bij een paar figuren uit die tijd. Je ziet het bij Menno ter Braak ook duidelijk. Je ziet het bij Richard en Henriëtte Roland Holst waarmee Huizinga zo dikwijls correspondeerde. En je ziet het ook wel bij André Jolles, Huizinga's vriend waarmee het in 1933 tot zo'n dramatische breuk kwam. Aan elke handeling die deze mensen verrichtten, werd een meerwaarde gegeven die ze voor ons heel intrigerend maken. Daarom zijn hun brieven ook zo bijzonder.''

Huizinga lezen, dat kan volgens Van der Lem dan ook niet zonder daarvan doordrongen te raken. Een groot deel van de de sensatie die je voelt bij de brieven van Huizinga zit in het taalgebruik'', zegt hij, Zijn woorden zijn altijd bijzonder. Ook zijn colleges werden zo bewust vormgegeven, zo uiterst verzorgd geformuleerd, en telkens weer bijgewerkt als hij ze herhaalde. Als jongeling had Huizinga dat al. Zijn jeugdbrieven zijn wezenlijk anders dan die van zijn broer Jacob.''

Verraadt dat taalgebruik niet bovenal dat Huizinga een typische man van de Beweging van Tachtig was?

Krul: Zonder twijfel. Het koesteren van een hoger doel in het leven heeft hij nooit losgelaten. Ook het idee dat het ware leven ligt in ons diepste binnenste en dat als je iets te zeggen hebt, je het mooi moet zeggen. Anderzijds was hij zeer teleurgesteld in de Tachtigers en had hij een afkeer van woordenpraal en dichterschap.''

Hanssen: Huizinga was door die worteling in Tachtig heel erg geïnteresseerd in problemen van verval, van decadentie. Juist dat heeft mij vreselijk gefascineerd bij het verzamelen van deze brieven. En dan de preoccupatie van deze man met zijn werk, met zijn omgeving, met zijn leven. Hij is een enorm gepreoccupeerd iemand geweest.''

Die zelfgerichtheid van Huizinga, was dat de reden dat hij niet in alle opzichten een aangenaam mens was?

Krul: Huizinga was geen vrolijk gezelschap voor mensen buiten zijn directe vriendenkring. Annie Romein schrijft daarover in Omzien in verwondering. Zeker in de jaren twintig kon Huizinga tegen studenten prikkelbaar zijn, bits, stuurs, koppig en onwelwillend bovendien. Als opvoeder was hij ook geen succes.''

Hanssen: Je moet Huizinga niet verheerlijken. Hij was precieus en een snobist. Zijn leerlingen Jan Romein en Jef Suys spraken over hem als 't fijne ventje'. Ooit schreef Huizinga in een brief: De jarenlange omgang met de cultuurgeschiedenis maakt een man aristocratisch van zin'. En dat was geen zelfspot.''

Van der Lem: Ik ken niet één voorbeeld van zelfspot bij Huizinga.''

Hanssen: Hij was bovendien het grote succesnummer in zijn familie en zich daarvan uitermate bewust. Er is een apocriefe anekdote die verhaalt hoe zijn neef Menno ter Braak als klein jongetje Huizinga ontmoette. Hij werd door Huizinga op schoot genomen en toen zei die heel serieus: Nu heb je bij de beroemde professor Huizinga op schoot gezeten.''. Of het waar is of niet, het zegt iets over Huizinga's imago.''

Van der Lem: Wanneer de sterfdag was van zijn eerste echtgenoot zei Huizinga 's ochtends tegen zijn kinderen: Het is de sterfdag van jullie moeder, ik wens de rest van de dag geen woord meer te horen.' Kun je dat kinderen aandoen? Jarenlang heeft de wereld om hem heen moeten boeten voor zijn verlies.''

Hanssen: Huizinga leed aan hetzelfde als Thomas Mann. Hij was een echte familie-vader, oprecht trots op zijn kinderen, maar tegelijk had hij een heel erg moeilijke verhouding met ze. Hij kon geen maat vinden tussen zijn werk, zijn eigen persoon en zijn kinderen. Voor iemand met zo'n preoccupatie, met zulke ambitie, staan de kinderen in zekere zin altijd in de weg. Zowel Huizinga als Thomas Mann was vervuld van een groot gevoel van verantwoordelijkheid voor zijn werk, zijn vak, zijn cultuur. Hij had - en dat zie je in de brieven keer op keer - het onwrikbare gevoel een opdracht te hebben in het leven en tegelijk voortdurend twijfels daaromtrent.''

Was Huizinga dan zo ambitieus?

Krul: Huizinga was buitengewoon ambitieus, zonder dat hij een duidelijk plan had. Hij streefde niet naar een carrière, maar naar een hoger doel. Daar heeft hij lang naar gezocht. Pas geleidelijk vormde hij zich een beeld van wat zijn taak was. Het was natuurlijk typisch iets van zijn tijd dat intellectuelen zich een taak moesten stellen, ja zelfs niet zonder taak konden.''

Hanssen: Dat idee van: ik moet iets toevoegen aan de wereld. Dat voel je in elke brief terugkomen. Dat is onvervalst Huizinga, en ook onvervalst Thomas Mann, om die vergelijking nogmaals te trekken.''

Krul: Overigens wilde Huizinga van Thomas Mann niets weten. En aanvankelijk wees hij al de moderne literatuur van zijn tijd rabiaat af. Daaruit blijkt dat hij intellectueel evidente beperkingen had. Het was ook zelfbescherming: hij wilde niet geboeid worden door datgene waar anderen mee bezig waren.''

Van der Lem: Dat merk je ook bij het voltooien van Homo Ludens aan het einde van de jaren dertig. In een brief schreef hij Sinds 1902 heb ik deze ideeën gehad, en ik moet ze nu opschrijven'. Hij hing dan een bordje op met STILTE, en dat was bedoeld voor de rest van de wereld.''

PASSIE

Toch is die gepreoccupeerdheid van Huizinga precies ook wat hem uittilt boven andere historici, zegt Hanssen. Neem Herfsttij. Je ziet dat die man het bijna over zichzelf heeft als hij schrijft over de middeleeuwen. Hij gaat er totaal in op, en probeert er tegelijkertijd aan te ontsnappen. Dat heeft mij geweldig getroffen. Eindelijk kwam ik iemand tegen die bezig was met het leven en die daar vorm aan gaf, en die steeds weer dat probleem oppakte. Dat ontroerde mij enorm. Ik dacht: verdomme, dat is een man van zo'n leeftijd en dan zo'n intensheid! Het is ondenkbaar dat mensen nu nog zoveel passie weten vrij te maken. Huizinga deed dat wel, en dat was toch heel oorspronkelijk. Bij alle kritiek op zijn karakter staat dat toch voorop.''

Van der Lem: Die combinatie van zelfbescherming en gepassioneerdheid is de constante geweest in het leven van Huizinga. Je merkt dat vooral toen de oorlogsdreiging in Europa steeds sterker werd. Huizinga's opvatting was dat je aan de loop der gebeurtenissen als eenling toch niets kunt veranderen. Maar zijn opvatting was: je doet, wat je kunt. In zijn geval was dat het schrijven van Homo Ludens en Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw. Ook tijdens de bezetting klinkt steeds de herhaling: moed, geduld, vertrouwen. Je ziet hem niet versagen.''

Hanssen: Versagen, versagen, dat is zo super-christelijk uitgedrukt!''

Maar die christelijke ethiek is toch óók typisch Huizinga?

Hanssen: Ja, en je zult mij daarover niet horen juichen. Tijdens de grote Europese crisis valt Huizinga terug op het idee van: werk, plicht, en vasthouden aan de dingen waarmee je bezig bent. Dat blijkt al aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, als hij wegzinkt in een grote vertwijfeling over wat hij nog in deze cultuur zoekt. En dan vraagt hij: waaraan kunnen wij ons nog vasthouden? En dat is dan hoop en werken. Heel christelijke principes. Datzelfde zie je in zijn cultuurfilosofische beschouwingen met hun eschatologische ondertoon. Alleen al dat denken in termen van licht en duister. Neem de titel In de schaduwen van morgen, een beeld dat rechtstreeks uit de bijbel komt. Of Geschonden wereld, het boek waaraan hij in de oorlog werkte. Dat impliceert een volmaakte wereld en er klinkt een heel sterk notie in door van ondergang en hoop op wederopstanding.''

Van der Lem: Anderzijds is het, en dat zei Huizinga zelf ook, een kenmerk van alle tijden om te zoeken naar aurea aetas, een gouden tijdperk. Dat verlangen naar een betere wereld hoeft niet christelijk te zijn.''

Hanssen: Bij Huizinga was het bepaald geen Boeddhistische notie! Wat vooral opvalt, is dat hij een zekerheid pretendeert die hij nooit heeft gehad. Huizinga claimde in brieven aan Gerard Brom en Menno ter Braak wel een geloof in een bepaald transcendentaal beginsel. Maar in heel vroege brieven aan Colenbrander en Jolles en Henriëtte Roland Holst, blijkt dat hij heel onzeker was over zijn eigen mogelijkheden. Als hij dan in de jaren dertig cultuurcriticus wordt, moet hij zich die uitstraling van zekerheid aanmeten, want anders geloof je een cultuurcriticus niet. Zijn recept is in ieder geval heel vaag en metafysisch.''

Van der Lem: Cultuur moet metafysisch gericht zijn, of zij zal niet zijn. Het woord van Huizinga zelf.''

De kritiek op Huizinga's machteloze' cultuurfilosofie was dus terecht?

Krul: Ik geloof dat Huizinga's cultuurfilosofie wel degelijk was bedoeld als een poging om direct in te grijpen in de actualiteit, in tegenstelling tot wat Ter Braak hem verweet. De burgerlijke ethiek zag Huizinga zeker als een wapen in de strijd tegen de barbarij.''

Hanssen is daarvan niet overtuigd: Andere intellectuelen waren veel duidelijker over de crisis dan Huizinga. Die wil alleen maar terug naar de tijd vóór wat hij zelf noemt de lijn Dostojevski, Kierkegaard, Nietzsche. Zij hebben volgens hem de zaak afgebroken, de twijfel gebracht, de rust weggenomen.''

Van der Lem: Toch zei Huizinga zelf ook: er is geen terug in de tijd.''

Hanssen: Maar hij wilde het wel!''

Van der Lem: Ja, maar Huizinga was een kind van zijn pessimistische tijdsgewricht. Denk eens aan Spengler, van wie hij zei dat het homeopathisch' op hem had gewerkt! Hij verzuchtte zelfs ooit iets in de trant van hoe heerlijk moet het geweest zijn in een tijd waarin nog geen snelheid was groter dan het paard en geen blik die kon reiken verder dan het oog. In een van zijn laatste brieven voor zijn overlijden in 1945 schrijft hij nog dat hij in 1830 geboren had willen zijn, een periode van rust en relatief ontzag voor recht en billijkheid'. Dan merk je dat al die geschiedenisstudie van Huizinga eigenlijk alleen om hemzelf gaat. Geschiedenis is niet meer dan een prentenboek en hij wil er zelf in staan.''

Dat Huizinga het verleden bestudeerde omwille van het verleden is dus niet waar?

Hanssen: Zijn preoccupatie ging veel verder dan het verleden alleen. Houvast en troost zocht hij in de geschiedenis. Huizinga zegt het ook: Cultuur is óók het ontvluchten van de problemen van de hedendaagse tijd'. Als je Herfsttij leest, zie je ook hoe dat in feite cultuurkritiek achteraf is geweest. Hij heeft heel veel in de late middeleeuwen herkend en heel veel van zijn obsessies in zijn boek gelegd, maar er zit ook heel veel wrevel in. Op elke bladzijde weer, als hij schrijft over de hoffeesten, duiken die woorden op: buitensporig', extravagant', te veel pracht'. Hij schrijft over hoofddeksels als hanekammen'. Ook die tijd kan niet voldoen aan de enorm strenge normen die hij koesterde.''

Van der Lem: In feite kon alleen de Nederlandse beschaving van de zeventiende eeuw daaraan voldoen, althans het beeld dat hij daarvan construeerde in de eerste oorlogsjaren. Zijn Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw geeft een poëtische en geïdealiseerde voorstelling, maar feitelijk onderzoek heeft Huizinga naar die zeventiende eeuw niet of nauwelijks verricht. Zonder de Duitse inval zou hij het boekje waarschijnlijk nooit geschreven hebben.''

Hanssen: Ik zie dat heel anders. Het is volgens mij heel duidelijk dat vanaf de jaren 1900 Huizinga bezig is met de vraag Wat is Nederland'. En dan begint hij een beeld te construeren dat wortelt in de laat-Bourgondische periode, en dat culmineert in de zeventiende eeuw. Na de Eerste Wereldoorlog zei hij zelfs dat Nederland een deel van haar nationale eigenschappen zou kunnen inbrengen om Amerika te helpen de volkeren bij elkaar te brengen. Later ziet hij dat dat onmogelijk is en dan krijgt zijn beeld steeds meer iets van een droom. Uiteindelijk verwijdert hij zelfs Rembrandt uit zijn Gouden Eeuw, want die is Barok' en dus Europees. Hij gaat voorbij aan zijn grootheid en stuit op de grenzen van zijn genie' schrijft Huizinga over Rembrandt, en let dan op het gebruik van het woord grenzen!''

Van der Lem: Daar waar Nederland afweek van Europa, daar was Nederland echt, daar was Nederland onvervalst. Als de Europese werkelijkheid hem overspoelt in de jaren dertig, trekt Huizinga zich steeds meer terug op de traditionele deugden. Die werden voor hem steeds meer een metafysische leidraad.''

Verklaart dat ook zijn ambivalente verhouding met de jongere generatie denkers als Ter Braak?

Hanssen: Vergeet niet dat ondanks alles er een grote affiniteit was tussen deze mensen. Toen Ter Braak ging studeren in Amsterdam, kocht hij meteen Herfsttij. Pas later nam hij virulent afstand van zijn beroemde oom, om ten slotte tot een kritische herwaardering te komen. Als je zijn commentaren in zijn exemplaar van Huizinga's Nederland's geestes-merk leest, sta je versteld: Tante Huizinga spreekt!', en dit is niet meer Tante Huizinga maar zak Huizinga!'. Hij moet zich er vreselijk over hebben opgewonden. Maar die kritiek vind je ook bij Jan Romein en Jacques de Kadt terug. Die jongere generatie, en dat was een veeg teken, herkende er niets meer in. Iemand als Huizinga, die dan zo midden in de cultuur stond, had toch wel gewaarschuwd moeten zijn. Als de jonge generatie zo weinig met zijn inzichten kan doen, dan is er iets mis.''

Krul: Toch wordt uit de brieven deels bevestigd dat Huizinga wel degelijk een voorliefde had voor avontuurlijke denkers. Zijn felle tirades tegen Marsman en Ter Braak zijn niet los te zien van het dieptepunt van zijn persoonlijk leven in de jaren twintig. Wat Huizinga bij Ter Braak inhoudelijk minder waardeerde was de hang naar het existentialisme. Hij vond dat je juist na 1933 niet tragisch moest gaan doen.''

Hanssen: Maar dat toontje dat Huizinga aanslaat, die houding van Menno, Menno, je bent een beste jongen'. Dat kán helemaal niet. Dat is zó betuttelend! Dat Ter Braak dat contact toch nog heeft doorgezet, dat siert hem ontzettend.''

Is er voor de samenstellers van de Huizinga-correspondentie nog wel leven ná Huizinga?

Krul:Er is nog zoveel te zeggen over de man en vooral over zijn ideeën. Ik zal in de komende tijd de biografie moeten voltooien, daarbij is er geen weg terug voor mij.''

Van der Lem: Ik ben nu weer ambteloos historicus, maar bezig met mijn dissertatie over Huizinga's beeld van de zeventiende eeuw. Door de briefwisseling is mijn relatie tot Huizinga duidelijker geworden. Enerzijds besef ik dat ik nog niet reik tot 's mans knieën. Afgelopen jaar heb ik zijn archief nog eens helemaal doorgenomen. En mijn conclusie was: ik ben dom, ik ben dom, ik ben oliedom. Anderzijds besef ik meer dan tevoren hoezeer Huizinga in de eerste plaats een man van zijn tijd was en zijn oordeel vormde in hoor en wederhoor met anderen.''

Hanssen: Wat mij zo getroffen heeft bij deze onderneming is met welke enorm hoge morele normen Huizinga in zijn leven stond. Ik geloof echt dat Huizinga en Ter Braak, bij wie mijn sympathie ligt, moreel tot de meest hoogstaande mensen van deze eeuw in Nederland behoren. Je kunt je daar nu nauwelijks meer een voorstelling van maken. Wat dat betreft, is deze uitgave van de Huizinga-Correspondentie een daad tegen het cynisme.''

Vanaf vandaag t-m 14 februari is in het Academisch Historisch Museum te Leiden de tentoonstelling Een zweven over de tuinen van den geest. Leven en werk van Johan Huizinga' te zien.