ITALIË ZOEKT NAAR POLITIEK LAXEERMIDDEL

A History of Contemporary Italy: Society and Politics 1943-1988 door Paul Ginsborg 586 blz., Penguin Books 1990, f 33,55 ISBN 0 14 012496 9

States of Emergency. Cultures of Revolt in Italy from 1968 to 1978 door Robert Lumley 377 blz., Verso 1990, f 58,45 ISBN 0 86091 969 2

La Repubblica dei partiti door Pietro Scoppola 449 blz., Il Mulino 1991, f 88,-- ISBN 88 15 03198 7

Volgens een oud grapje is Italië een van de meest stabiele landen van Europa. Dat er sinds de Tweede Wereldoorlog vijftig regeringen zijn geweest, gemiddeld één per jaar, zegt weinig. De verdeling van de ministersposten verandert, maar de gezichten zijn dezelfde, al decennia lang: Giulio Andreotti zat in het kabinet ten tijde van Adenauer, Eisenhower en De Gaulle, en praat nu als premier met Kohl, Bush en Mitterrand.

De christen-democratische partij Democrazia Christiana, die elk van de vijftig kabinetten heeft gedomineerd, is er steeds in geslaagd de critici op de een of andere manier te neutraliseren. Met haar consensus-politiek heeft zij het land behoed voor bruuske wendingen en zo de stabiliteit geboden waarvan Italië heeft geprofiteerd om zich in hoog tempo om te vormen van een ondergeschikt agrarisch land tot een industriële topper.

Met enige geamuseerdheid wordt in dergelijke analyses vaak gewezen op het typisch Italiaanse vermogen om zich aan te passen. De Italianen hebben een eigen vorm van democratie ontwikkeld, constateerde bijvoorbeeld de veel geciteerde politicoloog Joseph LaPalombara, hoogleraar aan Yale, in Democracy Italian Style, een boek uit 1987. Daarom moeten we niet dezelfde maatstaf gebruiken als bij andere landen. De politieke schermutselingen, de beschuldigingen van corruptie, het uitblijven van een machtswisseling, de inefficiëntie in de overheidssector, het betekent in Italië wat anders. Was het vrolijk-onbezonnen Italië, ondanks alle politieke beroering, niet een van de trouwste bondgenoten in de NAVO?

Deze vermeende stabiliteit ontdoet het woord crisis' van veel van zijn lading. De frequente politieke turbulenties zijn dan vooral een teken van latijnse heetgebakerdheid. LaPalombara ziet ze zelfs als niet meer dan actes in een groot toneelstuk. Politiek in een zo theatraal land als Italië moet wel spettacolo zijn. Het maatschappelijke evenwicht komt daar niet door in gevaar.

ONZEKERE SITUATIES

Het is een analyse die ook binnen Italië fel is aangevochten. Wie hier enige tijd het patroon heeft gevolgd van crises die komen en gaan, kan echter niet anders dan constateren dat die inderdaad niet de stabiliteit in gevaar brengen. Althans, in de zin dat ze niet leiden tot een verandering van de macht. Maar ze verstoren de stabiliteit wel in de zin dat ze onzekere situaties scheppen die keer op keer alle politieke energie opvreten, energie die niet kan worden gebruikt voor andere problemen. Vaak gaat er wel een week per maand verloren aan het oplossen van de een of andere crisis die uiteindelijk niets verheldert.

Wat voor de Amerikaan LaPalombara stabiliteit is, is daarom voor de Britse historicus Paul Ginsborg stilstand, stagnatie. Een stagnatie, zo betoogt hij in zijn A History of Contemporary Italy. Society and Politics 1943-1988, die heeft geleid tot verstopping van het politieke systeem. Volgens Ginsborg laat de periode na de Tweede Wereldoorlog niet alleen de soepel en snel verlopen transformatie zien van een agrarische naar een industriële samenleving, maar ook het falen, keer op keer, om de broodnodige politieke hervormingen door te voeren.

Wie LaPalombara's bewering heeft gelezen dat Italië beter dan veel andere democratieën in staat is geweest om de economische, sociale en culturele veranderingen van de jaren tachtig op te vangen, zal stomverbaasd rondlopen in het gedemoraliseerde Italië van nu. Wie Ginsborgs boek leest, zal iets beter de opgekropte frustraties begrijpen die juist de laatste tijd naar buiten komen. Zoals in steeds luider klinkende roep om een Tweede Republiek en zoals in de campagne van de werkgevers tegen de regering en zoals in de vervaarlijke antipolitieke praat van de carabinieri.

Ginsborg schetst in zijn analyse van de stagnatie drie grote stromingen die het Italië van na de oorlog hebben gedomineerd: de correctieve reformisten', de structurele reformisten', en de minimalisten'. De eersten, onder wie de befaamde Republikein Ugo La Malfa en de christen-democraat Pasquale Saraceno, wilden een correctie op de rauwe kanten van het kapitalisme. De tweede groep, waartoe volgens Ginsborg bijna alle communistische en socialistische leiders hoorden, wilde verandering van het kapitalistische stelsel in een meestal vaag en utopisch nieuw systeem. De minimalisten zeiden een correctie te willen, maar maakten in de praktijk de voorstellen voor hervormingen ondergeschikt aan het belang van de eigen (christen-democratische) partij: alles wat de eenheid binnen de partij of haar greep op het staatsapparaat en op de economie in gevaar kon brengen, werd verworpen.

BEWEGING VAN '68

Ginsborg laat omstandig zien hoe de correctieve reformisten' in de jaren vijftig en zestig steeds weer het onderspit hebben gedolven tegenover de minimalisten'. Zelfs de centrum-linkse kabinetten begin jaren zestig hebben uiteindelijk weinig hervormingen weten te bereiken door het taaie verzet van christen-democraten.

Maar in 1968 leek dan toch ook in Italië het uur aangebroken van de structurele reformisten. Het was evenwel, zo betoogt Ginsborg, juist het succes van de minimalistische hervormers dat verklaart waarom de beweging van '68' in Italië langer duurde en wijder verbreid was dan in veel andere landen. Door het uitblijven van wezenlijke sociale en politieke vernieuwing was er een reservoir van onvrede gevormd dat snel en op veel plaatsen ging branden toen het eenmaal werd aangeboord.

De historicus Robert Lumley heeft in zijn States of Emergency. Cultures of Revolt in Italy from 1968 to 1978 juist die sleutelfase in de strijd om hervormingen in kaart gebracht. Het is een gedetailleerde reconstructie van deze periode, gevuld met de opkomst en ondergang van buitenparlementaire bewegingen, en geschreven met een ondertoon van nostalgie naar een tijd dat sociale revoluties nog mogelijk leken.

Lumley constateert dat de Italiaanse buitenparlementaire groepen uiteindelijk hun eigen ondergang hebben gebaard. Een van de hoofdoorzaken dat de beweging haar legitimiteit verloor, was het geweld van de Rode Brigades, met als tragisch hoogtepunt de moord op Aldo Moro in 1978. De Rode Brigades zijn zowel een logische voortzetting van de beweging van '68 als een radicale breuk daarmee, stelt Lumley. Oorlog tegen de lakeien van het kapitaal' was altijd een vertrouwde linkse slogan geweest en gewelddadige botsingen met de politie hadden voor velen een bijna louterende functie. De opkomst van het rechtse terrorisme en de dood van een aantal linkse activisten leidde tot een verharding ter linkerzijde. De verpersoonlijking van de kapitalistische staat in de vorm van rechters en ondernemers was ook onderdeel van de linkse politieke cultuur. In feite gingen de Rode Brigades maar een klein stapje verder toen zij daadwerkelijk mensen gingen doodschieten.

De breuk ligt voor Lumley in het feit dat de brigadisten besloten ondergronds te gaan. Hierdoor werden zij afgesneden van de alledaagse ervaringen van de meeste mensen... Zo beroofden zij zichzelf van de manier om politieke hypotheses en projecten te testen en te controleren door erover te discussiëren met degenen (de werkende klasse) die zij pretendeerden te vertegenwoordigen.'

Dat lijkt een wat simpele manier om de goeden van de slechten te scheiden. Feit is dat er bij buitenparlementair links veel sympathie bestond voor de Rode Brigades. Het verzet tegen het terrorisme van de kant van de communistische partij PCI werkte volgens sommigen averechts. Het waren juist de pogingen van de PCI om de uitbreiding van het terroristisch geweld te voorkomen, betogen ze, die in 1975 en 1976 een nieuwe voedingsbodem boden aan de Rode Brigades: veel mensen beschuldigden de communisten van heulen met het establishment.

LEGE HANDEN

In ieder geval zat na de jaren zeventig Italiaans links met vrijwel lege handen. De beroering en agitatie hadden weinig meer opgeleverd dan een eigen tv-net voor de communisten, een publieke gezondheidszorg waarin een fraaie filosofie op desastreuze wijze is uitgewerkt, en een mislukte wet op de geestelijke gezondheidszorg.

In de tweede helft van de jaren tachtig werd duidelijk dat de minimalisten de strijd weer aan het winnen waren. Ze doen dat nog steeds. Premier Andreotti, de verpersoonlijking van ruim 45 jaar christen-democratisch bewind, begon in 1988 zijn rede op het congres van zijn partij aldus: Omdat ik ervan overtuigd ben dat de DC nog voor lange tijd een essentieel element in het Italiaanse politieke leven moet blijven, moeten we hieraan ieder tactisch of strategisch voorstel en nog meer iedere persoonlijke standpuntbepaling ondergeschikt maken.' De staatsman is hiermee louter een koorddanser geworden. Politiek is voor de meeste christen-democraten geen sturing maar handhaving, geen polarisatie maar compromis, geen richting kiezen maar evenwicht bewaren.

Het programma van de christen-democraten is sinds 1945 voornamelijk negatief geweest: neen tegen de communisten. Daarmee heeft ze lang de gevoelens van een duidelijke meerderheid van de kiezers vertolkt. Ten aanzien van de tegenstellingen binnen die meerderheid gold een voortdurend streven naar consensus in plaats van verhelderende confrontatie. De prijs die daarvoor moest worden betaald, was het vooruitschuiven van problemen.

In zijn pas uitgekomen boek La Repubblica dei partiti, over de rol van de politieke partijen in de democratie van na de oorlog, beschrijft historicus Pietro Scoppola hoe de regeringspartijen bij het scheppen van een consensus overigens steeds minder het anti-communisme als bindmiddel konden gebruiken. Steeds vaker moesten zij hun clientèle cultiveren met staatsgelden en gunsten. De eenstemmigheid in Italië wordt voor een deel gekocht.

Dat kon gebeuren doordat de regeringspartijen een grote greep hebben op de samenleving, via de overheidsbureaucratie en via de staatsdeelneming in de economie. In de jaren vijftig vergrootten de christen-democraten hun machtsbasis door de greep van de staat op de economie te versterken. Het resultaat is de omvangrijkste publieke sector van West-Europa, een sector waarin bedrijfsbesluiten vaak meer werden en worden gedicteerd door politieke overwegingen (werkgelegenheid, contracten en benoemingen voor vrienden) dan door bedrijfseconomische analyses.

Wie iets wil, of het nu een vergunning voor een restaurant is, een baantje als ambtenaar of een lening van een staatsbank, zoekt een politieke beschermheer. Vandaar dat veel Italianen hun land vaker een partitocrazia dan een democratie noemen. De politieke partijen zijn geen uitlaatklep voor de kiezers meer, een middel om wensen en voorkeuren te kanaliseren, maar een instrument om de samenleving te beheersen en naar eigen goeddunken (en regelmatig voor eigen gewin) te gebruiken. Vandaar dat een overweldigende meerderheid bij het referendum afgelopen juni ja' zei tegen een verandering in de kieswet, een verandering die symbool was gemaakt voor de roep om een nieuw politiek stelsel.

LA MAMMA DC

De christen-democratische partij is erin geslaagd veel tegenbewegingen onschadelijk te maken door ze aan de boezem van la mamma DC' te drukken en ze daar te laten uitrazen. In feite is dit ook gebeurd in het historisch compromis van 1976. Toen de communistische tegenbeweging te sterk dreigde te worden, boden de christen-democraten hun tegenstanders een vorm van machtsdeling bij de wetgeving, in ruil voor het gedogen van een christen-democratische regering. Menig links historicus in Italië constateert nu dat deze omhelzing voor jaren een serieuze oppositie van de communistische partij onmogelijk heeft gemaakt. En dat juist in een periode dat de communisten de DC haar positie als grootste partij konden betwisten. Zo heeft, op het moment dat haar dominerende positie echt in gevaar kwam, deze open-armenpolitiek de christen-democratische partij gered. Maar het is niet genoeg om, zoals Ginsborg doet, het uitblijven van een echte machtswisseling in Italië toe te schrijven aan het feit dat de communistische leiders zich hebben laten afleiden en in slaap hebben laten sussen door de superieure staatmanskunst van hun tegenstanders.'

Dergelijke verwijzingen naar een perfide machiavellisme zijn weliswaar lang gemeengoed geweest, als het spiegelbeeld van de goed-slecht verdeling die de christen-democraten de samenleving voorhielden. Maar het uitblijven van een machtswisseling is voor een belangrijk deel ook de schuld van de PCI zelf, inmiddels omgedoopt tot Democratische Partij van Links, PDS. De partij heeft op lokaal niveau veel goeds laten zien. De steden en dorpen met een communistisch gemeentebestuur functioneren gemiddeld beter dan de rest. Maar de worsteling die deze partij na haar naamsverandering doormaakt, brengt onbarmhartig de gebreken aan het licht. En die zijn niet verdwenen met de nieuwe naam: het vage politieke programma, het denken in oude schema's, de verongelijkt-klagerige partijcultuur, het tekort aan jong bloed. Zelfs nu de afgelopen maanden het koor van critici van de regeringspartijen tot orkaansterkte is aangezwollen, weet de PDS hieruit geen munt te slaan.

Een van de oorzaken van de valse stabiliteit van Italië is dat het onzekere perspectief dat PCI-PDS heeft geboden en biedt, voor een grote groep Italianen nooit een echt alternatief is geweest voor de vertrouwde moederborst van de christen-democraten, al was die nog zo verstikkend. Wat Italië echt nodig heeft, aldus Saverio Vertone, een van de spijtoptanten van de PCI, is een drievoudig alternatief: Een alternatief voor het slechte bestuur, een alternatief voor de Eerste Republiek, en een alternatief voor het linkse alternatief.'