Hulp

De luxueuze villa's van Kebayoran Baru, Cipete en Cilandak worden bevolkt door welgestelde Indonesiërs en buitenlanders. Toch bieden deze lommerrijke lanen in Jakarta-Zuid een dorpse aanblik. Indonesische vrouwen vegen, de linkerhand op de rug, met ritmische bewegingen dode bladeren uit het grind voor het tuinhek. In het schemeruur hurken mannen en vrouwen voor de poort of eten een bordje Bakso (soep met balletjes en bami) bij het kraampje op wielen dat 's avonds een ronde maakt door de wijk.

Het straatbeeld in dit deel van Jakarta wordt beheerst door het huispersoneel; de eigenaar-bewoners zie je zelden. Enkele malen per dag duikt er een glimmende, met donker glas geblindeerde auto op, de chauffeur claxonneert, de ijlings toegesnelde wachtsman doet de poort open en achter de baas weer dicht. De pembantu (hulpen in de huishouding) en jaga (nachtwakers) kennen elkaar van voor de poort. Daar wisselen zij nieuwtjes en pikante roddels uit over hun werkgevers.

In Jakarta vinden honderdduizenden Indonesiërs emplooi in de huishouding van de rijken. De status van orang asing (buitenlander) vereist dat hij Indonesisch huispersoneel in dienst neemt. Echtgenotes van uitgezondenen worden niet geacht zelf te wassen (elke dag twee verschoningen zijn in de tropen een noodzaak), boodschappen te doen, de eindeloze tegelvloeren te dweilen en voor de vele gasten te koken. In de wijken met hoog ommuurde villa's is een jaga geen luxe. De hansip (buurtwacht) kan niet naar binnen kijken en inbraken zijn geen zeldzaamheid.

De inheemse middenklasse is de grootste werkgever voor pembantu. Vooraanstaande dames staan zelden in de keuken. Bovendien werken steeds meer vrouwen uit gegoede milieus buiten de deur: als arts, wetenschappelijk medewerker of manager van een onderneming. Het ontwikkelingsland Indonesië kent een hoger percentage vrouwelijke ondernemers dan Nederland. Hun emancipatie veronderstelt ondersteuning aan het thuisfront van vrouwen uit de provincie.

Wie een luxe huis laat bouwen, reserveert in de buurt van de keuken of op het dak, waar de was te drogen wordt gehangen, een of twee kamertjes voor het huispersoneel. Soms worden er wel erg weinig vierkante meters uitgetrokken voor de pembantu. Ik heb ware paleizen gezien met in het achterhuis alleen donkere hokken met britsen.

De arbeidsvoorwaarden van huispersoneel variëren sterk. Buitenlanders betalen al gauw honderd gulden in de maand. Dat lijkt niet veel, maar het is bijna tweemaal het minimumloon in de industrie en men krijgt gratis kost en inwoning. De betere werkgever verzekert zijn personeel of neemt de kosten van medische verzorging of ziekenhuisopname voor zijn rekening. En er zijn vele extra's: reiskostenvergoeding bij familiebezoek, een toelage aan het einde van de islamitische vasten en oleh-oleh (presentjes na een dienstreis). Deze banen zijn gewild, maar niet zo makkelijk te krijgen. Buitenlanders vragen vaak aanbevelingsbrieven van vorige werkgevers.

Het kan aanzienlijk slechter. Met enige regelmaat meldt de plaatselijke pers gevallen van mishandeling en verkrachting van pembantu. Hoewel ik zeker niet uitsluit dat buitenlanders zich af en toe aan "het meisje' vergrijpen, gaat het vaak om Indonesische werkgevers. Er bestaan heel wat treurige liederen over zwanger gemaakte hulpjes die uit angst voor een schandaal worden teruggestuurd naar de kampung.

De zwakke broeders onder de buitenlandse werkgevers beperken zich tot verbaal geweld: afblaffen en zeuren. Klagen over de tekortkomingen van het personeel (""mijn tuinman steelt, koki wil niet luisteren, ze vragen altijd om geld'') behoort helaas tot het vrijetijdsverdrijf van buitenlanders onderling. Wat dat betreft is er de laatste eeuw niet veel veranderd op de veranda.