Het Wilhelm-complex; Mag het symbool van de Duitse eenheid terug op zijn sokkel?

Pas als Duitsland weer verenigd zou zijn, konden keizer Wilhelm I en zijn paard terugkeren op hun plaats aan de Rijnoever bij Koblenz. Die Duitse eenheid, die zou er toch niet komen, meende men nog in 1987. Een miljoenengift voor het herstel van het kapotgeschoten standbeeld kon daarom achteloos worden geweigerd. Het Denkmal' zou een Mahnmal' blijven. Maar sinds 3 oktober 1990 eist Wilhelm zijn rechten op am Deutschen Eck'.

Kort voor het eind van de Tweede Wereldoorlog, maart 1945, in de buurt van Koblenz. De opperbevelhebber van de geallieerden, Dwight D. Eisenhower, bezoekt George Patton, commandant van het derde Amerikaanse leger. George, zorg ervoor dat er geschoten wordt op dat reusachtige ijzeren standbeeld van de een of andere keizer, dat de Duitsers aan de Rijn in Koblenz hebben gebouwd. Die hoge metalen kolos hoeft daar niet verder te pronken, op de bodem van de Rijn staat hij beter. Dat zou trouwens ook goed zijn voor de geestelijke ontwikkeling van de Duitsers.''

Met genoegen, generaal'', antwoordt Patton, terwijl zijn staf-officier kolonel Robert S. Allen meeluistert. Dank je, George'', zegt de latere Amerikaanse president ('53-'61) en Adenauer-vriend.*

Twee dagen later beoefenen de piloten van het 19de Tactische Squadron enig schijfschieten am Deutschen Eck in Koblenz, waar de Moezel zich snelstromend in de Rijn perst. Als doel dient het veertien meter hoge, vijftig ton zware, koperen ruiterstandbeeld van keizer Wilhelm I, dat daar in 1897 door zijn kleinzoon Wilhelm II met grootduitse fanfares en anti-Franse stekeligheden is onthuld en er sindsdien voor Duits-nationalen, toeristen en Rijnschippers Wacht am Rhein heeft gehouden.

De bij alles wat Duits-nationaal was zo gehate Kurt Tucholsky bezocht in 1930 het monstrueuze bouwsel, het grootste ruiterstandbeeld ter wereld. Hij had voor de zekerheid vooraf een paar slokken genomen. Zijn bitter-hilarische verslagje, in dit geval geschreven onder het pseudoniem Ignaz Wrobel, staat in de bundel Panter, Tiger & Co.** Een paar zinnen daaruit: (...) Ein freier Platz, ich sah hoch ... und fiel beinah um. Da stand - Tschingbumm! - ein riesiges Denkmal Kaiser Wilhelm des Ersten: ein Faustschlag aus Stein. Zunächtst blieb einem der Atem weg. Sah man näher hin, so entdeckte man, dass es ein herrliches, ein wilhelminisches, ein künstlerisches Kunstwerk war. Das Ding sah aus wie ein gigantischer Tortenaufsatz und repräsentierte jenes Deutschland, das am Kriege schuld gewesen ist''. En deze, haast voor vandaag geschreven regels: Aber könnt Ihr Euch denken, dass sich jemals eine Regierung bereit fände, einen solchen gefrorenen Mist abzukarren - ? Im Gegenteil: Sie werden bald ein neues Mal errichten.''

In elk geval: voor veel (ongemotoriseerde) buitenlanders begon Duitsland daar vroeger pas echt: ruim voorbij de Keulse Dom en vlak voor de Loreley. Op die plek van vele miljoenen foto's en ansichtkaarten, tussen de Moezel-monding en de toenmalige vesting Ehrenbreitstein, hoog op de steile heuvels aan de overkant van de brede Rijn. Mijn grootvader Jaap voer in zijn jonge jaren op de Rijn. Ik herinner me dat hij dertig jaar geleden trots vertelde hoe hij begin deze eeuw, in een sluiscafé aan de Amsterdamse Overtoom, vlak voor weer zo'n Rijnreis, de jonge schrijver Grönloh (Nescio) had bekeerd tot het inzicht dat Duitsland eigenlijk begon am Deutschen Eck.

Kaalgeschoten

De Amerikaanse pedagogische missie van maart '45 blijkt even doeltreffend als simpel. Van het monument sneuvelen de keizer en zijn paard en de Siegesgöttin (Tucholsky: na een verloren oorlog heet zo iemand vredesengel). Als reusachtige kaalgeschoten resten met symboolwaarde blijven alleen de omringende halve boog en de sokkel (van graniet uit het Zwarte Woud) over. Dus blijven ook de in vijftig centimer grote letters gehakte inscripties bewaard: (aan) Wilhelm dem Grossen en Nimmer wird das Reich Zerstöret-Wenn Ihr Einig seid und Treu (regels van Max von Schenkendorf, een dichter van bevrijdingsoorlogen trouwens).

Acht jaar later, op 18 mei 1953, geven de eerste president van de op het Westen georiënteerde Bondsrepubliek, Theodor Heuss, en premier Peter Altmeier van de pas gevormde deelstaat Rijnland-Palts de resten van het Kaiserdenkmal een nieuwe bestemming waarin eergisteren, gisteren en morgen moeten samenvallen. Zij planten een bondsrepublikeinse vlag op de sokkel. En verklaren, al is de Koude Oorlog net volop begonnen, het zo opgetuigde torso aan de Rijn, de Schicksalsstrom der Deutschen, tot Mahnmal voor de Duitse eenheid.

Een paar weken daarna verdedigen tanks in Oost-Berlijn het communisme met succes tegen een korte opstand van boze arbeiders, die trouwens niet wegens politieke motieven maar als ontevreden consumenten de straat op waren gegaan. Niettemin: de Bondsrepubliek zal die zeventiende juni voortaan vieren als Dag van de Duitse eenheid. In de halve boog rond de sokkel in Koblenz worden dan de wapens aangebracht van alle zestien deelstaten, ook van de Oostduitse dus, die volgens de preambule op de grondwet van de Bondsrepubliek ooit tot een verenigd Duitsland moeten (kunnen) behoren.

Pas als de Duitse eenheid een feit is, kan er, eventueel en desgewenst, tot herplaatsing van de keizerlijke ruiter worden besloten - dat was sindsdien de duidelijke boodschap. Naarmate de jaren vorderden en de Duitse deling almaar alledaagser werd, ging die boodschap natuurlijk steeds meer op een verwijzing naar Sint Juttemis lijken.

Juttemis is gekomen

In mei 1953 is Rudolf Scharping zes jaar oud. Hij kan er dan nog geen weet van hebben dat hij 38 jaar later de eerste sociaal-democratische minister-president in Rijnland-Palts, de thuisstaat van Helmut Kohl, zal worden. Nog minder kan hij dan weten dat hij na zijn overwinning in de deelstaatverkiezingen van april 1991 aan het Kaiserdenkmal een flink politiek probleem zal hebben. Een probleem waarvoor elke nu nog denkbare oplossing bij voorbaat verkeerd is. Sint Juttemis is namelijk gekomen, en wel op 3 oktober 1990, toen de Duitse hereniging een feit werd. Anders gezegd: de voorwaarde die bondspresident Heuss ooit stelde aan een eventuele terugkeer van Wilhelm I naar zijn uitkijkpost am Deutschen Eck is vervuld.

En er zijn vóór Scharping premier werd nog een paar andere dingen gebeurd die de kwestie voor hem nu hoogst ingewikkeld maken. Dat zit zo. Vier jaar geleden besloot de miljonair-uitgever Werner Theisen zijn zestigste verjaardag en zijn dertigjarig huwelijksfeest te vieren met een groot cadeau aan zijn geboortestad Koblenz. Hij bood omstreeks drie miljoen mark aan om, naar een miniatuurmodel uit het Mittel-Rheinmuseum, een replica van het ruiterstandbeeld voor de keizer van de Duitse eenheid (die van 1871) te laten maken en dat zijn vroegere plaats te hergeven.

Die voorwaarde van bondspresident Heuss was ooit respectabel geweest, meende de gulle sponsor, maar omdat Duitse eenwording inmiddels een hersenschim leek, was die toch eigenlijk achterhaald. Hij verklaarde zijn aanbod rechtsgeldig tot 1 januari 1991. Dat deed hij in november 1987. De toenmalige CDU-premier Bernhard Vogel (broer van de pas als SPD-fractievoorzitter in de Bondsdag afgetreden Hans-Jochen Vogel) wees het cadeau dus af met een verwijzing naar het woord van Heuss.

Die politieke afwijzing weerhoudt Theisen er niet van om toch, en in eigen beheer, een nieuw (dit keer bronzen) standbeeld alvast in op dracht te geven aan de Düsseldorfse beeldhouwer Raimund Kittl. Dat gebeurt onder applaus van een snel uit de grond geschoten burger-initiatiefgroep, die ook vandaag nog actief is. In Koblenz en omstreken wijzen opiniepeilingen, waarvan Theisen als uitgever de uitkomst overigens kan beïnvloeden via zijn eigen kranten (de Rhein-Zeitung bijvoorbeeld), uit dat een meerderheid van de bevolking keizer Wilhelm graag terug zou zien komen. De Amerikaanse ambassadeur, de oude troubleshooter' Vernon Walters, had over het standbeeld al gezegd: rebuild it! Zelfs de Franse ambassadeur, Serge Boidevaux, had Theisen verzekerd dat de kwestie geen rol meer speelt in het huidige bewustzijn van de Franse bevolking''.

Maar weer even later, 1989-90, komt de Duitse eenheid plotseling in zicht. Premier Vogel is dan al, als gevolg van een partij-interne machtsgreep, ten val gekomen en als premier tijdelijk opgevolgd door Carl-Ludwig Wagner, die in feite fungeert als zetbaas van de nieuwe sterke CDU-man in Rijnland-Palts: de vijftigjarige Hans Otto Wilhelm. En behalve de Duitse eenheid komen er, april 1991, nieuwe regionale verkiezingen aan.

Wagner en zijn CDU besluiten dus op 27 september 1990 (met de FDP) om alsnog ja, graag'' te zeggen tegen sponsor Theisen. Er komt een regeringscontract over de plaatsing van het ruiterstandbeeld en één van de verkiezings-slogans van de gedachte CDU-premier Wilhelm staat meteen ook vast: Als U Wilhelm (I) wilt, kies dan Wilhelm! Nationale beroemdheden als de historicus Golo Mann en wijlen CSU-chef Franz Josef Strauss betuigen uit Beieren hun steun voor de herkansing als standbeeld van de eerste Hohenzollern-keizer.

Humane vegetariër

Vervolgens krijgt het verhaal een onverwacht en voor de liefhebbers van Wilhelm en Wilhelm teleurstellend verloop. De ruwe manier waarop de CDU de biedere maar populaire premier Vogel aan de kant heeft gezet breekt haar flink op. De burgerlijke Wilhelm van de CDU werd compleet van zijn (politieke) sokkel getrokken en als sterke man afgedankt. Scharping wordt verkiezingswinnaar na een campagne waarin hij heeft bezworen dat hij als minister-president de herplaatsing van het Kaiserdenkmal onder geen beding zal toestaan.

Binnen de SPD rijst Scharpings ster. Hij is tegelijkertijd een haast vooroorlogs sobere sociaal-democraat én een efficiënt modern bestuurder. Een humane vegetariër met scherpe tanden als het ware, met zo'n vlasbaardje dat een ander na een week kamperen wegscheert. Al met al een prachtige figuur in een verhaal als dit. Hij wil de keizer niet in Koblenz terughebben. Volgens hem zou zoiets historisch verkeerd, politiek mis en esthetisch onjuist zijn''. Want: We zijn niet vrij in het kiezen van onze geschiedenis, maar wel in wat we als goede tradities willen behouden'', zei hij. Dat klinkt tot de dag van vandaag ongemakkelijk na.

In Düsseldorf zijn de keizer, zijn paard en de vrij bescheiden uitgevallen overwinningsgodin in gipsen uitvoering nu al een tijdje klaar. Er is in Essen al veel afgegoten en klaar voor verscheping. Compleet met de voorgeschreven bliksemafleider op de helm. Zelfs de dagen waarop volgend voorjaar de Rijnwaterstand gunstig is voor het passeren van bruggen zijn alvast uitgezocht. In zijn hoofdstad Mainz moet Scharping nu snel kiezen: Of hij geeft alsnog toestemming tot plaatsing, wat hem de hoon van zijn politieke tegenstanders en de woede van zijn politieke vrienden zou opleveren; of hij probeert een juridische weg te vinden om onder de eerder aangegane verplichting uit te komen, maar dan met een schadevergoeding aan sponsor-uitgever- miljonair Theisen. En met het risico dat hij, zeker in een geval als dit, de rest van zijn politieke leven getracteerd zal worden op het predikaat vaterlandsloser Geselle.

Ondanks dat in de SPD-geschiedenis smartelijk bekende risico zoeken Scharpings juridische adviseurs naar een uitweg volgens de tweede variant. Zijn politieke vrienden studeren op andere bevrijdende modaliteiten, die met elkaar gemeen lijken te hebben dat zij niet (meer) zo erg politiek bevrijdend zijn. Mevrouw Rose Götte, de regionale minister voor cultuur, heeft bijvoorbeeld een paar weken geleden voorgesteld om in Koblenz een nieuw cultureel park te openen en daar Wilhelms standbeeld, maar dan zonder sokkel, neer te zetten. Dat voorstel oogstte de woede van beide partijen in het debat in Rijnland-Palts.

Iets langer geleden alweer heeft het stadje Königswinter (even ten zuiden van Bonn) een plek aan de voet van een andere toeristische attractie, namelijk de Drachenfels (vrij te vertalen met Valkenburg of Volendam) aangeboden. Oude rechten'' werden daarmee - weer vergeefs - geldend gemaakt. Het Kaiserdenkmal was in 1897, ten tijde van de toenmalige Pruissisch-Rijnlandse Rheinprovinz, namelijk al aan Königswinter toegedacht. Maar dat plan werd getorpedeerd door kleinzoon Wilhelm II, die de plaatselijke ambiance niet passend vond voor zo'n keizerlijk monument. En wat deze onzalige politieke Wirrkopf ook kon worden verweten, zeker niet dat hij geen oog had voor vorstelijke ambiance. Bij de onthulling van grootvaders standbeeld in Koblenz zei hij tot woede van de Fransen dat deze lokatie ook was gekozen omdat Willem I daar Elzas-Lotharingen beter in het oog kon houden.

Megalomane kleinzoon

In de boekhandel in Koblenz is sinds kort een werkje te vinden van Heinz Peter Volkert (CDU), vice-voorzitter van de landdag in Rijnland-Palts en voorstander van de herplaatsing van het ruiterstandbeeld.*** Het ruikt niet onpartijdig, maar is toch een aardig boekje. Met wel interessante vragen als: moet keizer Wilhelm I in de sector historische onlust, nu met terugwerkende kracht klappen opvangen die zijn megalomane kleinzoon eigenlijk verdient? Wegens de bloedige manier waarop hij in 1848 de Berlijnse maartrevolte zou hebben onderdrukt kreeg de latere Willem I de bijnaam Kartätschenprinz. Maar in feite was hij dat jaar naar Engeland vertrokken onder druk van zijn broer, aan wie hij ook zijn militaire commando had moeten laten.

Wilhelm I was, zacht gezegd, geen krachtmens, maar een man die min of meer zijns ondanks, en zelfs enigszins tegen zijn zin, in 1871 in de Spiegelzaal in Versailles tot Duits keizer werd uitgeroepen. Dat gebeurde na een oorlog die hij - volgens Golo Mann - eigenlijk niet wilde en die voor Frankrijk eindigde met een vernederend-vernietigende nederlaag tegen Pruisen. Een oorlog die ook de grote kanselier Bismarck weliswaar op langere termijn - en met recht - als riskant beschouwde voor Duitslands plaats in Europa maar die hij onvermijdelijk achtte om Duitse eenheid onder een Pruisische koning te forceren.

Wilhelm had in Bad Ems, in 1870, de ongeruste Franse ambassadeur vrij duidelijk gemaakt dat zijn huis niet werkelijk aanspraak maakte op de Spaanse troon. Het was Bismarck die daarna de nuances van de keizer wegliet in de Emser Depesche, waardoor Napoleon III zich tot de fatale Franse oorlogsverklaring aan Pruisen liet provoceren. De nieuwe keizer moet eens hebben opgemerkt dat het hem niet meeviel om onder Bismarck te dienen''.

In 1871 was was het tussen Duitsland en Frankrijk weer geworden als tien eeuwen eerder, toen Karel de Grotes rijk onder rivaliserende broers moest worden verdeeld. Pruisen was in 1871 qua ambities voldaan (saturiert'), met zichzelf in balans als kern van één Duitse staat. Die staat zelf, een nieuw gevormde Europese Mittelmacht, was dat niet. Bismarck en de keizer moesten als prijs' voor het bereiken van de Rijkseenheid buigen voor een vloedgolf van Duits-nationalisme en instemmen met de annexatie van Elzas-Lotharingen. De emoties van 1871 hebben in twee grote oorlogen in de eerste helft van deze eeuw gruwelijke gevolgen gehad. Het is geen wonder dat kanselier Helmut Kohl deze week op de EG-top in Maastricht zijn best deed om zijn onzekere Duitse reus verder, in nauw samenspel met Frankrijk, het geïntegreerde Europa in te loodsen. Hij liep daarmee in het voetspoor van Robert Schuman, de man uit de Elzas, en van Konrad Adenauer, de Rijnlander die met de Lotharinger Charles de Gaulle de as Bonn-Parijs maakte.

Uitgesproken Westduitse' notities maakt Volkert in zijn boekje bij het besluit van het Weense congres (1815) om Pruisen en het Rijnland met elkaar te verbinden en zo - via deze Rheinprovinz - een weliswaar klein-Duitse' maar sterke buffer aan de oostgrens van het gevreesde Frankrijk te maken. Pruisen had meer trek in heel Sachsen gehad, maar er werd een andere politiek-geografische, meer westwaartse dynamiek op gang gebracht. Duitsland en Europa zouden er nog wel van merken. Metternich, de in Koblenz geboren Oostenrijkse ster van het Weense congres, miskende destijds misschien zelfs de traditionele Oostenrijkse belangen in Duitsland.

Want ruim dertig jaar later lieten de liberale hervormers in de Paulskirche in Frankfurt (1848) duidelijke Duits-nationale ondertonen horen, terwijl zij, in hun ontwerp-grondwet voor een toekomstig Duits staatsverband, landen afwezen die met een niet-Duits land verenigd waren (zoals Oostenrijk met Hongarije). Dat is fragmentarisch weergegeven, en het is lang geleden, zeker, maar dit verhaal gaat over het standbeeld van een negentiende-eeuwse koning-keizer.

Toen ik een dag of wat geleden am Deutschen Eck wegliep van die enorme steenklomp die de Amerikaanse schutters daar maart 1945 achterlieten botste ik - in gedachten zoals dat hoort na zo'n confrontatie, en bovendien in de vroege middagschemering - onhandig tegen een wit betonnen paaltje. Wat heet, er stonden, aan de Moezel-kant, wel drie zulke paaltjes bij wijze van gedenkteken naast elkaar. Elk met enkele woorden tekst. Links: 17. juni 1953. Midden: Den Opfern der Teilung. Rechts: 9. november 1989. Van de opstand in Berlijn tot de val van de Muur dus. Übertreibung en Untertreibung, op honderd meter afstand, Duitse geschiedenis.

*Robert S. Allen, Lucky Forward, The Vanguard Press, New York 1947

**Kurt Tucholsky, Panter, Tiger & Co, Rowohlt-Taschenbuch, Hamburg, 13de druk, 1963

***Heinz Peter Volkert, Das Kaiser-Wilhelm-Denkmal am Deutschen Eck, Görris verlag Koblenz 1991

Und wenn dereinst die Kriegstrompeten rufen

Zum ernsten Streit für Vaterlandes Ehr',

Dann nah'n wir alle dieses Denkmals Stufen,

Da fliesst uns heilige Begeisterung her.

Als Schutzgeist wirst Du streiten

Zu Deines Enkels Seiten.

Ihm schwören wir, o stimmet jubelnd ein:

Wir halten fest und Treu die Wacht am Rhein!

(Die vereinigten Gesangsvereine der Rheinprovinzen' bij de onthulling van het Kaiser-Wilhelm-Denkmal op 31 augustus 1897)