EG houdt industriebeleid "op z'n Frans' af

ROTTERDAM, 14 DEC. De Europese gemeenschap heeft in Maastricht geen industriebeleid geformuleerd. Tot verdriet van de Fransen, maar tot vreugde van de landen in het Noorden van de EG. Er blijft wel ruimte bestaan voor nationale steun aan bedrijven, zoals aan Fokker in Nederland.

Het leek er even op dat er wel zoiets als een Europees industriebeleid zou komen. Een van de noviteiten in het nieuwe Europese verdrag waarover de onderhandelingen afgelopen woensdagmorgen in Maastricht konden worden afgesloten was "Titel XIV' in het gedeelte dat handelt over het beleid van de Gemeenschap.

In de vroegere verdragen van de Europese Gemeenschappen komt die titel "Industrie' helemaal niet voor. Lidstaten als Nederland en het Verenigd Koninkrijk, vonden dat dat eigenlijk zo had moeten blijven. Waarom zou er eigenlijk een speciaal hoofdstuk moeten worden gewijd aan de ontwikkeling van een bedrijfstak die, als de Europese Gemeenschap zich er in het verleden mee bemoeide, zoals in het geval van de staalindustrie, meestal in nog grotere problemen kwam dan die welke moesten worden opgelost?

Andere landen, Frankrijk voorop, vonden echter dat er een aparte paragraaf in het verdrag moest komen over de industrie.

Luxemburg formuleerde als voorzitter van de Europese Gemeenschap, in de eerste helft van dit jaar, drie artikelen in zijn ontwerpverdrag die gericht waren op de bevordering van de industrie. Het eerste, meest algemene daarvan, stipuleert alleen dat “de Gemeenschap en haar lidstaten” er zorg voor dragen “dat de vereiste voorwaarden voor de ontwikkeling van het concurrentievermogen van de industrie aanwezig zijn”.

Vervolgens wordt dat gepreciseerd in wat fraaie, maar tot niets verplichtende doelstellingen.

Ook het tweede artikel, “de lidstaten plegen, in verbinding met de Commissie, onderling overleg en coördineren, voor zover nodig, hun acties. De Commissie kan initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen”, was dermate vrijblijvend dat geen der lidstaten zich er aan buil aan kon vallen.

Maar anders was het gesteld met het derde. Volgens het Luxemburgse voorstel zou de Raad namelijk “met gekwalificeerde meerderheid van stemmen specifieke maatregelen” kunnen vaststellen, “met name ten behoeve van toekomstgerichte industrieën, ter ondersteuning van de acties die in de lidstaten worden gevoerd om de doelstellingen (...) te verwezenlijken” van wat in artikel 1 wordt beoogd.

De consequentie daarvan was natuurlijk dat, wanneer maar voldoende lidstaten overtuigd zouden zijn van het nut van bepaalde “maatregelen”, steun zou kunnen worden gegeven aan innovatieve industrieën. Dat ging de lidstaten die zich altijd het meest inzetten voor vrije concurrentie, het Verenigd Koninkrijk natuurlijk in de eerste plaats, wat te ver. Niet alleen omdat dergelijke maatregelen al gauw zouden resulteren in een, wat een Britse diplomaat “dirigistisch” en “protectionistisch” beleid noemde, maar ook omdat er zo'n doordringende geur van sectorbeleid - "toekomstgerichte industrieën' - omheen hing.

In de eerste versies die het Nederlandse voorzitterschap over titel XIV het licht deed zien was die verwijzing dan ook verdwenen.

In de definitieve, en deze week dus geaccepteerde, redactie van de industrieparagraaf, zijn de eerste twee artikelen vrijwel ongewijzigd gebleven. Op het derde punt kan de Raad alleen nog maar “met eenparigheid van stemmen besluiten ..over specifieke maatregelen ter ondersteuning van maatregelen die in de lidstaten zijn genomen ter verwezenlijking van de doelstellingen” van artikel 1. Unanimiteit houdt in dat als een lidstaat het met dergelijke steunmaatregelen (aan concurrenten in andere landen) niet eens zou zijn, hij zijn veto kan uitspreken.

Daarmee is "titel XIV' een volstrekt overbodig artikel is geworden. Een geval van verdragsvervuiling eigenlijk.

Maar ambtenaren vinden zoiets nuttig. Een woordvoerder van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken legt uit dat tot dusver voor belangrijke delen van het industriebeleid de “praktijk van de vuilnisbak” gold. Dat wil zeggen dat over alle zaken die niet zwart op wit geregeld waren met eenparigheid van stemmen moest worden beslist. “Die bestaande praktijk wordt nu dus geformaliseerd,” aldus de woordvoerder van EZ.

Het Nederlandse bedrijfsleven is tevreden. “Hier verwacht ik heel weinig van. Als het goed gaat gebeurt er helemaal niks.” Dr. Evert Elbertse van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) reageert opgelucht over de verdragstekst. Elbertse: “Duitsland, Nederland en Engeland zijn tegenstander, dus...”

Het VNO is niet tegen een Europese technologiepolitiek, die levert de bedrijven immers subsidies op. De Nederlandse werkgeversorganisatie is echter tegen een aanpak waarbij de overheid, in Brussel of elders, produkten selecteert en andere niet. Want dan krijg je je trekken thuis. Elbertse: “Als de EG de export van videorecorders stimuleert loop je het gevaar dat andere landen de import van kaas aan banden leggen.”

Volgens Economische Zaken laat het nieuwe verdrag nog steeds ruimte voor een nationaal industriebeleid. De steun aan grote bedrijven zoals Fokker loopt dus geen gevaar. Weliswaar kan een andere lidstaat zich hiertegen in EG-verband verzetten, maar dan moet de Europese Raad daarover een unanieme beslissing nemen. Dus blijft de nationale industriepolitiek onaangetast.

Frankrijk, de grote promotor van de Europese industriepolitiek heeft in Maastricht een forse nederlaag geleden.

De Franse regering wilde ook dat de Maastrichtse top ook een gemeenschappelijke verklaring zou uitgeven over de Europese 'high definition-televisie (HDTV), een project dat van groot belang is voor het Franse staatsbedrijf Thompson. Die verklaring is er niet gekomen, tot verdriet van Thompson en mogelijk ook van Philips dat met Thompson samenwerkt. De twee multi's willen dat de EG regels uitvaardigt om de introductie van HDTV te bespoedigen. Onder meer één norm bij de ontwikkeling van een Europese “high-definition” televisie. Dat zou volgens de Fransen de zogenoemde D2-MAC-HD-MAC-norm, een ontwikkeling Thomson moeten zijn.

Zelfs daar wil men in Duitslannd niets van weten. Die norm zou voor aanbieders van programma's en exploitanten van satellieten extra investeringen vergen terwijl, zo klaagde de CDU'er Blank, de beeldkwaliteit er nauwelijks door verbetert.

Daarbij komt dat “gesloten” EG-strategie Japanse en Amerikaanse vernieuwingen zou weren van een Europese markt ter waarde van circa twintig miljard mark, aldus Blank. De FDP'er Otto liet zich net zo uit, hij vroeg minister Schwarz-Schilling (CDU, Post) om 18 december in een Europese ministerraad nee te zeggen tegen deze voorstellen, die dan weer aan de orde komen.In het algemeen zijn het Duitse bedrijfsleven en de Bondsdag niet onverdeeld gelukkig met de resultaten die kanselier Helmut Kohl van de EG-top in Maastricht mee naar huis heeft gebracht. Maar bij het bedrijfsleven en ook bij de oppositionele SPD bestaat wel tevredenheid, dat het is gelukt om de gemeenschappelijke Europese industriepolitiek te verhinderen.

Te veel regelgeving op dit terrein geldt in de Bondsrepubliek met haar sociale maar ook liberale markteconomie eigenlijk als vloeken in de kerk.

(Met bijdragen van Frits Schaling, Kees Caljé, J.M. Bik en Jan Gerritsen)