EETSTOORNIS

Dik ontevreden. Hoe de Nederlandse vrouw over haar eigen lichaam denkt Annette Heffels 192 blz., Anthos - Margriet 1991, f 24,50 ISBN 90 6074 718 6

Op bladzij 102 van Dik ontevreden werd het mij even te veel en kon ik nog maar één ding denken: wat zijn vrouwen toch ontzettend stom. Niet alle vrouwen natuurlijk, want wat in dit boek beschreven wordt zijn speciale gevallen. En stom' mag natuurlijk niet betekenen dat die vrouwen het zelf kunnen helpen. Maar toch: eetstoornissen' zijn zo'n bespottelijke kwaal, en zo'n bij uitstek vrouwelijke bovendien. Zinloze, hopeloze ellende.

Het probleem is een onontwarbaar kluwen van suggestie, maatschappelijke dwang, publiciteit en psychische stuurloosheid. Op die bladzij 102 staat onder andere de bekentenis van een vrouw van veertig (1,70 meter, 67 kilo). Zij wil graag anoniem blijven. Ik wil namelijk niet dat het bekend wordt dat ik een eetstoornis heb. Zelfs mijn man en kinderen hebben er geen idee van dat ik nu al bijna 20 jaar dagelijks vreetbuien heb en vervolgens alles weer uitbraak...''

Het is het feit dat zij de term eetstoornis' gebruikt, wat zo wanhopig maakt in dit citaat. Een generatie geleden bestond het woord nog helemaal niet. Wie heeft het uitgevonden? Hoeveel vrouwen kampten toen met het probleem, en hoeveel zijn het er nu? Zijn niet anorexia nervosa en boulimia bij uitstek kwalen die floreren bij hun maatschappelijke en geneeskundige erkenning?

Velen vinden van niet. Er is vandaag de dag niemand die ervoor pleit om tegen dit soort vrouwen te zeggen mens, stel je niet aan, zoek afleiding, ga iets nuttigs doen. Dat wordt niet beschouwd als een zinvolle benadering. Maar juist bij een aandoening die in zo hoge mate bestaat uit autosuggestie, een verwrongen zelfbeeld, en die zich geheel in het hoofd afspeelt, lijkt het risico dat het een modeverschijnsel is, levensgroot aanwezig.

Een psychologe die te maken heeft met lijdsters aan eetstoornissen vertelde me onlangs dat de ziekte de laatste tijd zo opvallend aan het democratiseren is: vroeger waren het vooral meisjes uit hoog opgeleide milieus, nu zijn de arbeiderskinderen hun achterstand rap aan het inhalen. Wat moet je daar nu weer van denken?

Iemand die lijdt aan een modeverschijnsel hoeft niet minder hard te lijden dan iemand die aan iets geheel tijdloos lijdt. Maar de gedachte dat het haar bespaard had kunnen blijven, is wel nijpender.

Annette Heffels heeft op basis van een grote enquête via het weekblad Margriet een inventarisatie gemaakt van het getob van vrouwen met hun lijf en hun lijn. Zij heeft het daarbij voor het grootste deel niet over ziekelijke gevallen, maar over gewone vrouwen. Naast de respons op de enquête - die, zoals zij zelf terecht opmerkt, natuurlijk geen representatieve steekproef vormt, want wie nooit aan de lijn denkt vult zo'n vragenlijst niet in - hield zij interviews met modeontwerpers en mannequins, en ging zij te rade in de (para)medische literatuur. Zij inventariseerde de meest gebruikte diëten en probeerde uit te zoeken waarom zij zo zelden blijvend effect hebben. Ook beschrijft zij verschillende theorieën over waarom de één dik wordt en de ander niet - en hoe de ideeën over wat dik is, variëren.

In vergelijking met een geruchtmakende publikatie als die van de Amerikaanse Naomi Wolf is dit een nuchter, Hollands boek waarin geen samenzweringen aan de kaak worden gesteld en geen bizarre uitwassen als typerend worden gepresenteerd. Heffels zet misverstanden recht en moraliseert niet. Maar het totale effect is toch schokkend en deprimerend, omdat blijkt hoe veel energie - in de zin van geestkracht, denkkracht, plezier in het leven - van hoe veel vrouwen wordt verspild aan een nutteloze obsessie. En je moet wel een verstokte optimist zijn om te geloven dat de toegenomen belangstelling voor eetproblemen, waarvan ook dit boek een blijk is, de voorbode moet zijn van een ommezwaai.