Door de knieën voor de Arabieren

Met politieke en financiële schandalen vullen Franse kranten dagelijks met gemak een of twee pagina's. Affaires' zijn er in overvloed en ze worden geaccepteerd als een soort natuurverschijnsel. Dat geldt ook voor de affaire-L'Oréal, hoe ongelooflijk' (het weekblad Le Point) het verhaal ook is. Het schandaal van de cosmetica-reus onderscheidt zich van menig ander louche zaakje door het kaliber van de spelers: een wereldwijd bekende onderneming in schoonheidsprodukten, het boycotbureau van de Arabische Liga, duistere Arabische bemiddelaars, een fascistische directeur, en Claude de Kémoularia, zakenman en bankier, voormalig ambassadeur van Frankrijk in Nederland, maar in Parijs vooral bekend als un ambassadeur qui fait des affaires'.

De zweer barstte dit voorjaar open. L'Oréal, de grootste onderneming in cosmetica ter wereld, werd beschuldigd van valsheid in geschrifte en rassendiscriminatie. De aanklacht was afkomstig van een ex-directeur van een Oréal-onderneming, Jean Frydman, een joodse Fransman die in Israel woont. Frydman, ex-verzetsstrijder die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan deportatie naar Buchenwald ontkwam door uit de trein te springen, beweerde dat L'Oréal hem had ontslagen als prijs voor opheffing van de boycot die de Arabische Liga tegen de cosmetica-multi had afgekondigd.

De Franse rechter-commissaris die met het onderzoek werd belast, Jean-Pierre Getti, voerde op 28 maart een huiszoeking uit op het hoofdkantoor van L'Oréal en in de woning van François Dalle, de 73-jarige voormalige topman van het bedrijf. Tal van bezwarende documenten werden in beslag genomen. Op 6 mei onthulde het weekblad Le Point de affaire, die onmiddellijk extra opzien baarde toen Frydman zijn beschuldigingen in vele interviews toelichtte. Frydman, een succesvolle zakenman die vele jaren bij Oréal had gewerkt, zei dat hij het slachtoffer was geworden van een samenzwering in de L'Oréal-top, die was opgezet door twee voormalige topmanagers, Jacques Corrèze en François Dalle.

Corrèze, evenals Dalle in de zeventig, verdedigde zich op zijn beurt in vraaggesprekken waarin hij echter niet kon ontkennen dat hij in de oorlog fout' was geweest. Corrèze was lid van het Légion des volontaires français (LVF) dat te vergelijken is met de Nederlandse Oostfrontstrijders. Corrèze wiens verleden na de oorlog geen hindernis vormde voor een glanzende carrière bij L'Oréal, overleed enkele maanden geleden. Maar de publicitaire oorlog tussen Frydman en L'Oréal kreeg drie weken geleden een verrassend vervolg: rechter-commissaris Getti stelde Dalle officieel in staat van beschuldiging. De ex-patron van L'Oréal beweerde dat hij daarom had verzocht om zich beter te kunnen verdedigen'.

Sindsdien hingen kranten en weekbladen, onder koppen als Het recht en de moraal' (Le Point) en Hoe L'Oréal toegaf aan de chantage van de Arabische boycot' (L'Événement du Jeudi) de vuile was buiten. Uit de documenten waarop rechter Getti beslag had gelegd, blijkt dat de van origine Franse multinational zich vrijkocht' van de boycot die de Arabische Liga tegen l'Oréal had afgekondigd. De onderneming maakte daarbij gebruik van de diensten van een Egyptische zakenman en van Claude de Kémoularia, Ambassadeur de France, en overtrad daarbij waarschijnlijk de Franse wet uit 1977 die Franse ondernemingen verbiedt te reageren op boycotacties.

De Arabische Liga beschikt sinds twintig jaar in Damascus over een boycotbureau dat (Westerse) ondernemingen die zaken doen met Israel op een zwarte lijst' plaatst en - aldus L'Événement du Jeudi kernachtig - ze vervolgens chanteert''. L'Oréal nam in 1983 voor 14 miljoen dollar verscheidene filialen van Helena Rubinstein in Latijns Amerika en Japan over. Helena Rubinstein was toen al lang het slachtoffer van de Arabische boycot: de groep beschikte over een fabriek in Israel en de oprichtster, een Poolse jodin, steunde de staat Israel van harte. Enkele maanden na de transactie meldde het Arabische boycotbureau zich bij L'Oréal.

De boodschap uit Damascus was eenvoudig: een bedrijf dat filialen overneemt van een onderneming die aan de Arabische boycot is onderworpen, riskeert zelf een boycot. L'Oréal nam contact op met zijn man in Kairo' - Abdallah Abdel Bari, raadsman van de presidenten Sadat en Moebarak, directeur van het dagblad Al Ahram en een oude bekende van L'Oréal-patron François Dalle. Bari wist een oplossing: smeergeld voor personen die belast zijn met de behandeling van de affaire''. Maar Bari had geen succes: in februari 1988 kwam l'Oréal op de zwarte lijst van het Arabische boycotbureau.

Het besluit van Damascus was een onaangename verrassing: L'Oréal had aan alle voorwaarden van de Arabische boycotteurs voldaan. De Helena Rubinstein-produktie in Israel was in 1987 beëindigd en overgeplaatst naar Duitsland, er was geen sprake meer van enige Israelische participatie in L'Oréal en de naam Helena Rubinstein verdween - vanaf 1988 heette de onderneming Interbeauty'.

François Dalle vond prompt een andere bemiddelaar: Claude de Kémoularia, voormalig zakenman van Georgische afkomst, bankier bij Paribas (waar hij nog steeds verantwoordelijk is voor de afdeling Nederland), ex-ambassadeur van Frankrijk (in Nederland en bij de Verenigde Naties) en een persoonlijke vriend van president François Mitterrand. Bovendien kende de nu 70-jarige De Kémoularia de Arabieren - in 1982, een jaar nadat hij tot president was verkozen, stuurde Mitterrand zijn vriend langs de Arabische landen met de boodschap dat het socialistische Frankrijk niet zou toestaan dat Franse ondernemingen voor Arabische boycotacties zouden zwichten.

Na dertig dienstreizen wist De Kémoularia, inmiddels financieel adviseur' van L'Oréal, de oplossing: verzet tegen Damascus' was weinig zinvol, zo rapporteerde hij. Samenwerking, politiek en financieel, bood de meeste kans op snelle beëindiging van de boycot. Abdel Bari, de excellente vriend' van François Dalle, was weinig ingenomen met het concurrende optreden van de Franse zakenman- diplomaat. Begin 1988 schreef hij L'Oréal: Als men onze verplichtingen niet honoreert, zullen de Arabieren alles doen om opheffing van de boycot van L'Oréal te voorkomen.''

In feite kreeg L'Oréal in de onderhandelingen met het boycotbureau in Damascus te maken met een racket' dat geleid werd door een zekere Aboe Rami. Achter deze naam ging Mohammed Makhlouf verborgen, een zwager van de Syrische president Hafez el Assad, en chef van de Syrische geheime dienst. De Egyptenaar Bari waarschuwde de L'Oréal-directie dat een vijandige houding van Monsieur Aboe de positieve resultaten kan compromitteren''. Bari wist overigens nog een andere weg, via de Saoedische prins Turki, zeer bevriend met prins Khaled, chef van de Saoedische geheime diensten die in Europa opereren, en een nauwe relatie van zijn Syrische ambtgenoot Aboe Rami''.

L'Oréal kreeg het moeilijk met zijn adviseurs toen bleek dat De Kémoularia op zijn beurt vijandig stond tegenover de Saoedische optie'. In afwachting van de resultaten van De Kémoularia kreeg Bari groen licht voor de voorbereiding van zijn Saoedische veiligheidsnet'. Maar spoedig bleek dat de bemoeienissen van de Ambassadeur de France' in Damascus het gewenste resultaat opleverden. De Franse handelsattaché ter plaatse telexte op 4 januari 1989 aan het Quai d'Orsay, het Franse ministerie van buitenlandse zaken: Na een nieuwe interventie van Monsieur De Kémoularia werd ik vanochtend langdurig ontvangen door Monsieur Akil, algemeen commissaris van het organisme voor de boycot tegen Israel. Deze maakte mij deelgenoot van de observatie dat het boycotbureau zich bewust is van de buitengewone financiële inspanning die door L'Oréal geleverd is om aan de opgelegde voorwaarden tegemoet te komen'.''

Een half jaar later, in juli 1989, kwam het gelukkige einde: na betaling door L'Oréal van baksjisj' (smeergeld) van naar schatting twee miljoen dollar werd de boycot opgeheven. Over de moraal die na het geld komt, moet nog afgerekend worden - voor de rechtbank.